18e eeuwse gedicht van de roeper Dirk de Ram over de volmacht Clarenberg, die zijn gelag en boeten niet had betaald. Dees boetten die hier onder staan. Met gij niet om na huijs toe gaen Zonder te zeggen goede nagt En zelfs te hebben overdagt Een burgemeester van de raad En mede lid der magistraad Gaat zonder spreken van ‘t stadhuijs Sluiip stanten na zijn eijgen huijs Niet eens betaald zijn eijgen schuld Ses stuijvers hebben wij geduld Het spijt mijn van die goede man Dat hij niet meerder drinken kan Ik drink voor hem een glas of vier Een ander seeven nae de zwier Wij hebbent al dear opgezet De man is ziek hij moet nae bet Deeze aan Clarenberg geintineert Zijn vrouw gesproken en worde verveert Hij lag te bet zijn hooft deed zeer Zijn vrouw ging wegh en sprak niet meer Dit zeg en luijg ik als ik dear kwam Dat is de waerheijt is Dirk de Ram