Het schot voor Steenwijk.  (1580.) 't Stond bang en veeg in Steenwijks muur, Met Rennenberg er voor: De wrakke wallen brokten door; Het regende in de straten vuur; Er viel niet enkel moordend lood, Er vloog ook ijzer, gloeijend rood.   Voor Dantzig was, eerst onlangs nog,(*) Die helsche vond bedacht; Doch schoon zij Dantzig onderbragt, 't Mislukte haar met Steenwijk toch: Schoot Rennenberg de huizen plat, Toch hield hem Kornput uit de stad. En of de wind de vlammen joeg, Die loeiden door den wal, En of het scherpste zwaard van al, De honger, door de wijken sloeg, De vest bleef voor den Prins gespaard, Spijt Rennenberg en vuur en zwaard.   Dat had de bende niet verwacht, Die slobberde in 't moeras: Zij zwoer, als ze eens er binnen was, Den muur te domplen in de gracht, En 't leed te wreken met het bloed Der hopliên en des poorters goed. Een Duitsche huurling, plomp van taal En even ruw van ziel, Kwam, toen een mistige avond viel, En klauterde op een bolwerkpaal, En schreeuwde en riep - dat ieder woord Tot op het marktplein werd gehoord. Hij schold den Prins, verwenschte 't land Met lasterkreet op kreet, En zwoer met telkens zwaarder eed Schoffering, plondring, moord en brand; Hij zwetste zich den gorgel heesch, En vloekte, dat er 't hair van rees.   Dat stond een jonge borst niet uit, Die wacht hield aan de poort; Hij schoof met stille schreden voort Tot in de rigting van 't geluid; Hij velt het roer en spant de haan, En legt door mist en duister aan. De lucht was dik; geen star kwam door, Geen schemer in 't verschiet; Doch, hielp het loerend oog hem niet, Te beter hielp hem 't luistrend oor... Daar klonk de kreet weer langs den muur, En op 't gerucht af, geeft hij vuur. Het schot brandt los, er volgt een plof, En met den plof een gil... En eensklaps - eensklaps is het stil: De welgemikte kogel trof; De snorker lag, zoo lang hij was, Te gijpen in een modderplas.   En door den knal van 't schot gewekt, Schiet wacht en voorpost aan; De wolken dreven van de maan: Men vond den huurling uitgestrekt, En sleurde 't lijk door dras en nat Tot op het marktveld in de stad.   Maar als men toorts en pekkrans brengt En 't ligchaam wendt en keert, 't Is ongekwetst en onbezeerd; Niet eens de kolder was gezengd; Er was geen blijk van lood of kruid: En niemand lei zich 't raadsel uit. Doch zie! doch zie! is dáár geen wond? Het bloed vloeit langs de kin! Men zag de blaauwe lippen in... Er was geen tong meer in den mond! In 't open keelgat viel het schot, En 't lood bleef steken in den strot.   De menigt' zag elkander aan En stond ontzet, en dacht Of niet misschien een hooger magt Dat snaphaanschot had af doen gaan; Of mooglijk geen onzigtbre hand Die vuige tong had uitgebrand.   Nog jaren werd in Steenwijks wal Van 't wondre schot verteld; Het staat in 's lands kronijk vermeld: 't Verdiende 't wel, het vreemd geval! Nu bragten wij 't op rijm en maat: Dat ook verdiende 't inderdaad. Gedicht: (1856-1857)–Hendrik Tollens   Dat ook verdiende 't inderdaad.