© Albert
STEENWIEK

Historische beroepen

Mattenvlechter

Lang geleden lagen er om Steenwijk grote gebieden, waarin het water niet ontbrak en de biezen veelvuldig voorkwamen. We behoeven in de geschiedenis niet heel vet' terug te gaan om de bewo- ners te zien uitrukken en deze waterplanten te snijden, die dan gebruikt werden voor het vlechten van matten. Zo rand de eeuwwisseling werd dit werk nog veelvuldig uitgeoefend en zelfs tot om- streeks 1920 trof men in Steenwijk en omgeving nog mattenvlechters aan, die hiermee hun brood wisten te verdienen. Vooral in de winterperiode als er in het veenbedrijf geen werk was te vinden, moest er wat verdiend warden en Lange tijd stand dan het matraam in menige huiskamer. Het wa- ren niet alleen de mannen die de kunst verstonden een vloermat te vlechten, ook verschei- dene vrouwen verdienden er door dit werk een paar centen bij. Voordat men met het weven een aanvang kon maken, moest er eerst materiaal zijn. Dit was  er in overvloed, en zoals men dat gewoon was, trok men reeds bij het krieken van de dag er op uit, meestal naar de trekgaten in Wapserveen, en plukte daar russen. Wanneer men een halve dag in dit polder gebied had gewerkt, werden de russen aan dikke bossen gebonden en wandelde men met het materiaal op de rug naar Steenwijk terug. Het ging toen allemaal te voet en misschien is men er later op de fiets ook nog wel eens op uitge- trokken, maar in dit grote watergebied kon men met dit vervoermiddel weinig doen. De gebonden russen werden dan aan dikkere bossen gebonden en aan een hoop bij elkaar gezet om de broei erin te krijgen. Door een dergelijke behandeling werden de russen taaier en konden beter verwerkt worden. De stengels braken niet zo gauw of en men kon ze plooien zoals men wilde. Dit broei proces gaf tevens een betere kleur aan het materiaal, wat natuurlijk de matten ten goede kwam. Toen de mattenvlechterij in Steenwijk en omgeving werd uitgeoefend, schommelde de pe- troleumlamp nog aan de zoldering. Het matraarn werd dan van de zolder gehaald en door eerst diverse dra- den te spanners kon men met het werk beginnen. Het was een weefgetouw, dat met de hand bediend moest worden. De matten, die in Steenwijk en omgeving werden vervaardigd, waren dan ook uitsluitend handwerk. Er moest ontzaglijk veel werk verzet worden om wat te verdienen. De mee- ste belangstelling bestond voor matten van 24 el, waarvoor men een bedrag kreeg van f 2,25. Een 24 els mat is bijzonder groot, maar daarmee kon men dan ook de gehele vloer beleggen. Het duurde echter geruime tijd, voordat de mattenmaker zo'n 24 els mat van zijn weefgetouw kon halen. In de tijd van de mattenvlechters kende men ook de mattenschippers. In Steenwijk kwamen meestal opkopers voor deze matten, maar de meeste matten, en deze waren dan van biezen ver- vaardigd ,werden hoofdzakelijk in Blokzijl en Genemuiden gemaakt. De mattenschippers trachtten zo- veel mogelijk rollers van deze matten aan boord te krijgen en voeren er dan mee naar het westen van het land. Het product werd daar dan voor ze- ven stuivers per el aan de man gebracht. De mattenhandel floreerde het best tussen Pasen en Pinksteren. Dat was het tijdstip dat de huisvrouwen pleegden schoon te makers. Een vloerkleed was nog steeds lets voor de betere stand en een mat van gevlochten russen meer voor de gewone man, hetgeen beter was dan helemaal niets op de vloer; bovendien was zo'n mat gemakkelijk te reinigen. Na de schoonmaaktijd trokken de mattenschip- pers, waarvan er in Blokzijl wel vijftig waren, weer noordwaarts, waarbij ze dan langs de IJssel appels insloegen om hiermee naar Friesland te varen. De Friezen hadden weer aardappelen en hieraan had men in het lage land van de Noordwesthoek gebrek, zodat de mattenschipper ook in het na- jaar varende kon blijven. Zo kon ook deze schipper zijn boot door de wind laten voort glijden en de matten naar diverse plaatsen brengen. Maar later kwamen er diverse andere vloer bedekkingen, die de russenmat  geheel deden verdwijnen. Kokos nam de voornaamste plaats ( Fabriek No- belco Meppelerweg) in en met de mattenvlechters uit onze omgeving zijn in de loop van de twinti- ger jaren ook de mattenschippers voorgoed verdwenen.

Sigarenmaker

De Steenwijker tabaks industrie  is jammer genoeg in rook  vervlogen. Omstreeks 1890  sterk ont- wikkeld maar  rond 1950  was het bijna voorgoed voorbij. De grootste fabriek werd  De Tabaksplant  voorheen Rijkmans waar vroeger wel honderd mensen werkten. De fabriek  was in de Neerwold- straat waar bekende merken werden gemaakt Albert Cuyp en Titus en pruim tabak Nikeso. Doosje   met sigaren in verpakking van de Witte Raaf

Stenenzoeker

De veld en keistenen hebben honderden jaren voor de bewoners een bron van inkomsten ge- vormd. Zij werden voornamelijk gebruikt bij de aanleg van wegen en bij de oorlogsvoering in vroe- ger jaren. Er  wordt gesproken over de vrouwen, die bij de bestorming van Steenwijk  met stenen hun mannen te hulp snelden en de vijand verdreven. Een aannemelijker verklaring voor de naam Steenwijk is zeer zeker bron van de rijke steenvoorraad, die men vroeger in deze gebieden aantrof. Deze stenen hebben met alleen eeuwen geleden, maar tot zelfs bij de aanvang van de twintigste eeuw een rol gespeeld in het leven van de bevolking van Noordwest Overijssel, want zelfs in de ja- ren rand 1900 kwamen er nog mannen voor, die van beroep, steenpunter" waren. Op de hoogste gebieden en vooral op de Steenwijker Kamp werden grote voorraden veld keistenen aangetroffen. Vele van deze stenen waren geschikt voor de bestrating van wegen en men trof er ook aan, die zo groot van omvang waren, dat de hunebedbou- wers jaloers hadden kunnen zijn. In de ijstijd zijn deze stenen naar onze gebieden gespoeld en meestal tegen een heuvelrug trof men de grootste hoe- veelheden aan. Een voorbeeld van bestrating met deze keien is nu nog te zien aan de Looiersgracht. Het delven van deze stenen heeft aan de arbeidende bevolking van Steenwijk gedurende vele wintermaanden werk verschaft. In verschillende gesprekken met oude stad en streekbewo- ners wordt hier nog uit eigen verklaring over verteld. In het laatst van de negentiende eeuw trok men er op uit met de schop en een puntijzer om met het zogenaamde ,,steenpunten” een loon te verdienen. Zo’n puntijzer bestond uit een ijzeren stang van twee tot drie el lengte. Van boven was deze stang voorzien van een dubbel handvat en van onderen was een stalen punt, waarmee men in de grond boorde, om naar stenen te zoeken. Trof men een behoorlijke stenenlaag aan, dan werd de bovengrond verwijderd en werden de stenen blootgelegd en uitgegraven. De zware exempla- ren liet men door middel van kruit springen. Jaren geleden beschikte men niet over bakstenen; daarom werden de kleine veldstenen gebruikt voor het verharden van wegen en de grotere soorten deden dienst als fundering bij de bouw van huizen. Ook werden die grotere stenen naar Blokzijl vervoerd, waar ze bijzonder goed dienst konden doen bij de, versterking van de zeeweringen. Er zijn in Steenwijks omgeving nog vele namen, die aan dit steenzoeken  herinneren. Bijvoorbeeld de Steenakkers, de Steenwal (aan het Dolderkanaal) en de weg naar Tuk wordt ook nog wel Steendijk genoemd. Het zijn allemaal namen, die wijzen op de, steenrijkdom  van dit gebied. Met zekerheid is het echter niet te zeggen. Ook het stadsarchief kan hieromtrent geen uitkomst geven, want dit dateert namelijk van omstreeks 1560. De namen zullen dus voor die tijd  al gekozen moeten zijn. Bij een grote brand in 1523 zijn alle schriftelijke bescheiden vernietigd. Het steenpunten heeft men lange tijd uitgeoefend. Omstreeks het laatst van de negentiende eeuw woonde er aan de Woldpoort in Steenwijk een zekere Hetebrij, die nog handelde in veldkeien. De handelaar kocht grote massa's stenen op, die op de steenwal aan de Dolder een plaats vonden. Hier werden de stenen fijn geklopt en later ver- scheept naar elders voor wegen- aanleg. Het stenen zoeken of beter gezegd stenen punten is lange tijd een bron van inkomen geweest voor de bevolking men kreeg als beloning tien cent per mand vol en zelfs tot de aanvang van  de twintigste eeuw waren er mensen die met deze stenenhandel vooral in de winterperiode hun brood verdienden.

Touwslager

In de negentiende eeuw speelde het touw vooral in deze agrarische omgeving een belangrijke rol, want metaal was nog niet zo in gebruik.  De boer moest overal touw voor gebruiken: wanneer  het paard voor de wagen moest worden gespannen en o.a. in het hooiseizoen. En niet te vergeten de handelsman en de fabrikant bij  het verpakken van allerlei producten.  Aan het begin van de twin- tigste eeuw waren er in Steenwijk een aantal lijnbanen of touwbanen, die een flinke productie had- den. Er was afname genoeg en zoals eens Michiel Adriaansz. de Ruyter aan het wiel stond te draai- en, waren ook de Steenwijkers in actie  om touw te vervaardigen. De onderpaden langs de oude stadswallen waren daarvoor uitnemend geschikt; o.a. de families Panhuis, Oost, Middelwijk, Lang- man (Zoon Lebbert verhuisde naar Nijkerk in 1893 en bedrijf is nog steeds actief  tot heden) Visscher en Van Dalen oefenden dit beroep uit. Door de mechanisatie kwam er steeds meer metaal in om- loop en werd ook het paard verdrongen, zodat de touwwever slechts weinig  paarde strengen en leidsels meer behoefde te vervaardigen. Toch is een van deze deze lijnbanen nog steeds intact ge- bleven.  In de tijd, dat het nog rustig en stil was aan de Looijersgracht. Men nog geen motoren kende en de geleerden zich de hoofden nog niet pijnigden met het makers van atoombommen, werd daar een lijnbaan in gebruik gesteld. De dames waren nog steeds gekleed in wijde hoepelrokken en droomden nog niet van nylons. In dit oude bedrijf  werd weliswaar gewerkt onder de meest erbar- melijke omstandigheden, maar desondanks bloeide het ambacht van touwslaan, een handwerk, dat tot op de huidige dag in ere bleef. Hier aan de Looijersgracht aan de voet van de lindereuzen, die het brede water omzomen, ligt nog de lijnbaan van de familie Van Dalen, een bedrijf dat al door vijf generaties is gevoerd. De familie Van Dalen heeft dan ook zeer oude rechten in de gemeente Steen- wijk. Op een dag in het jaar 1836 hield de vroedschap der stad zich ernstig bezig met de aanvraag van Hendrik van Dalen, burger van d' Olde Veste, die aan de Hogewal een touwslagerij wilde beginnen. Hij vroeg daarvoor grond in erfpacht en dit werd verleend met recht van opstal. Voorlopig kon- den de Van Dalens vooruit; eerst in het jaar 2036 zal de pacht verlengd moeten worden. Wij vragen ons nu al af: ,Wie zal dan eigenaar zijn van  speci- fieke oude lijnbaanbedrijf?" Wellicht ook wel een Van Dalen, zoals in de afgelopen jaren. De erfpacht rustte aanvankelijk op het stuk grond langs de stadsgracht  aan de Hogewal, achter de tegenwoordige R.K. pastorie, dus op het gedeelte van de wal tussen de Molen en de Scholestraat. Het was echter noodzakelijk dat de lijnbaan werd verlegd en daarom ging de erfpacht over op het perceel aan de Looijersgracht op de zelfde waar het bedrijf nu gevestigd is. Deze verhuizing geschiedde al in het jaar 1868. Het oude touwslagerswiel was toen belangrijk onderdeel van de installatie en het is ook nu nog steeds in gebruik. De touwslager kan hiermee, zo dan wordt gezegd, slaan, spinnen en twijnen. Het slaan van touw is het in elkaar draai- en van enige aparte draden tot een dik touw. Zo worden dan de leidsels en strengen voor de boeren gemaakt. Ook kon men uit een grote pluk hen- nep of vlas touw spinnen en dit deed de heer Van Dalen nog in het jaar 1936, toen het honderdjarig bestaan van dit bedrijf werd gevierd. In de be- ginperiode werd het garen, waarvan het touw werd gemaakt, ook in Steen- wijk gesponnen. Later werd van de grote fabrieken het eendraadsgaren betrokken. Enkele van deze draden worden dan in elkaar getwijnd tot een sterk touw. Het twijnen van touw gebeurt nog net eender als meer dan een eeuw geleden. Er is dus aan de stadswallen in Steenwijk een zeer oud bedrijf op gang gebleven en er is zo te zien weinig aan de methode veran- derd. Het grote wiel moest met de hand worden gedraaid; dit is met de komst van de elektriciteit gewijzigd en de motor nam het werk over. In Steenwijk zijn in de loop der jaren al deze touwbanen verdwenen, de  laatste was van de  familie Van Dalen tot 1966 heeft deze het bedrijf gehad aan de Looijersgracht en is toen verhuist naar  het industrieterrein om daar in 1985 geheel met de productie te stoppen. De onderdelen van de touwslagerij  stonden bij de gemeente opgeslagen zoals het grote wiel en andere zaken maar helaas  zijn daar ook al onderdelen weg, De schrijver hier van weet wel waar het is.. Eigenlijk zou zo iets weer  helemaal in ere moeten worden hersteld, maar ja wie doet dat.

Zilversmid

Fa. Bijkamp & Co  de laatste zilversmid . In het pand Markt 2 te Steenwijk was sinds 1835 de zilver- smidswinkel van Bijkamp gevestigd. Op 14 februari van dat jaar liet Meine Bijkamp zich te Zwolle bij het Waardeborgkantoor inschrijven als goud en zilversmid. Tot die tijd had hij als knecht gewerkt bij zijn neef Gerard Archibald Stuart, eveneens zilversmid te Steenwijk. Bij het overlijden van Meine Bijkamp in 1898, op negenentachtigjarige leeftijd, werd het bedrijf voortgezet door zijn zoon Jan Meine Bijkamp, die echter al in 1903 kinderloos overleed. Twee zonen van zijn zuster Jentje Bijkamp uit haar huwelijk met Haije Visser, zetten het bedrijf voort onder de naam Fa. M. Bijkamp. In 1909 trad Meinard uit de firma. Jan Hendrik Willem Visser ( 1880 - 1950 ) heeft daarna kans gezien het, overigens al voor die tijd, goed renderende bedrijf uit te bouwen. In 1920 ging Visser voor wat betreft de aan de Weemstraat gevestigde fabriek/werkplaats, opnieuw een ven- nootschap aan: deze keer met zijn zwager Hendrik Roelof Bijkamp. Het bedrijf kreeg daarbij de naam Fa. Bijkamp & Co. De winkel aan de Markt werd in 1957 gesloten. De fabriek aan de Weemstraat bleef echter produceren tot in 1974. Talloze voorwerpen zoals mandjes, asbakjes, briefope- ners, suikertangen, beurs- en tasbeugels alsmede een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid schepwerk zoals theelepels en taartvorken hebben de werkplaats verlaten. Zilversmeden in Steenwijk 1. Luetgen Goltsmitz Overleden voor 1560.                                 2. Christiaan Doore (of Doorn) 3. Johan Arends                                                                                 4. Harmen Jansz. 5. Taeckele Mensch                                                                           6. Gerbrant Boncke. 7. Jannes Hoogland                                                                           8. Laurens Otterbos 9. Nicolaas Adolph Benthem                                                          10. Gerben Piers Vogelzang     11. Jacobus Verschuyl                                                                      12. A.L. Reiners  13. Johan Christiaan Frederik Proger.                                           14. Hendrik Prins I    15. Albert Stuart I     Zilversmid 10-11-1765-1842                       16. Dirk Dikkerboom     17. Gerard Archibald Stuart    gedoopt op 29-04-1716, overleden op 20-12-1785 op 69-jarige leeftijd. Gehuwd voor de kerk op 40-jarige leeftijd op 04-         07-1756 te Steenwijk met Aaltjen BLOEMEN, 26 jaar oud, geboren op 12-01-1730, overleden op 30-01-1777 18. Hendrik Prins II 19. Nicolaas Alexander Stuart   zilversmid, geboren op 18-10-1801 te Steenwijk, overleden op 20-09- 1832 te Steenwijk op 30-jarige leeftijd. 20. Meinardus Bijkamp ,Meine Meinen Geboren 16-10-1808 overleden 1898 21. Jan Meine Bijkamp Geboren 21-3-1846 overleden 18-08-1903 22. Albert Stuart II    zilversmid, geboren op 09-03-1830 te Steenwijk, overleden op 14-09-1880 te Assen op 50-jarige leeftijd. 23. Johannes Steltman  24. A. Beertje Rijkmans, weduwe Johannes Steltman  25. Hendrik Meinardus van Sleen 26. Jan Meine Bijkamp  Geboren 21 maart 1846 overleden  18 augustus 1903. 27. Andries Rienks Steltman. Geboren 1830 overleden 1866. 28. Lubbertus Steltman Geboren te Steenwijk in 1844  en overleden 11 juli 1910