DE ARMENZORG IN STEENWIJK IN DE 16e, 17e EN 18e EEUW.

     De middeleeuwse voorgeschiedenis.

     Armenzorg is een verplichting tot liefdadigheid die door bijna iedere godsdienst wordt opgelegd, ook door het christendom.

Het middeleeuwse Katholicisme wees daartoe haar gelovigen bij voortduring op het belang van de werken van barmhartigheid,

zoals het spijzigen van hongerigen, het kleden van de naakten, het bezoeken van zieken en gevangenen, het opnemen van

vreemdelingen, het laven van de dorstigen en het begraven van de gestorvenen. Deze middeleeuwse liefdadigheid vond haar

grondslag allereerst in de verplichting om de reizende pelgrims en andere reizende geloofsgenoten -in de van religie

doortrokken middeleeuwse maatschappij in feite dus ieder die langs kwam- te verzorgen en onderdak te verlenen. Daarnaast

bestond er sinds het eerste concilie van Tours (567) de verantwoordelijkheid van de parochie voor haar eigen armen, opdat de

ongelukkigen niet van de ene naar de andere plaats zouden dolen.

     Tot de twaalfde eeuw was de uitwerking der liefdadigheid bijna uitsluitend het domein van de caritatieve werken van de

geestelijkheid. De zorg voor de reizende gelovigen werd met name door de kloosters en kapittels verricht. In de 9e en 10e eeuw

kwamen daarvoor bij verschillende kloosters en domkerken opvang- en verzorgingsmogelijkheden. Sommige instellingen

beperkten zich tot het geven van eten en drinken; andere instellingen gingen verder en onderhielden een speciaal gebouw voor

de overnachting van de reizigers; een xenodochium, hospitaal, gasthuis. Soms groeide deze zorg voor de reizende

geloofsgenoot uit tot ware ziekenverzorging; immers sommige reizigers waren door ziekte niet meer in staat om verder te

trekken! Voor hen werd een aparte hoek of vertrek ingericht en was enige verzorging aanwezig. Zo ontstond uit het gastenhuis

het middeleeuwse hospitaal. Verschillende kloosters konden aldus uitgroeien tot centra van sociaal dienstbetoon, waar

hongerigen te eten kregen, waar zieken verzorgd werden en waar daklozen een tijdelijk onderdak vonden.

     Daarnaast bestond er de verplichting van iedere parochie om zorg te dragen voor de behoeftigen uit eigen kring. De pastoor

was de geestelijke die reeds in Karolingische tijd voor deze zorg verantwoordelijk was. Een derde deel van de kerkelijke tienden,

het z.g. patrimonium pauperum, stond hem voor het ledigen van de nood ter beschikking. Het systeem van deze kerkelijke

belasting verwaterde echter in de volgende eeuwen en de pastoor werd afhankelijk van de giften van zijn parochianen. Op

gezette tijden deponeerden deze hun bijdragen op een grote tafel in de kerk. Van deze met giften in natura gevulde

armendissen kregen de arme gemeenteleden ondersteuning. Deze parochiale dissen vormden in de late middeleeuwen de

meest uitgebreide vorm van armenzorg in de Nederlanden. De kerkleden, die zich op deze manier van hun

verantwoordelijkheid jegens de verarmde mede-parochianen kweten, maakten geleidelijk aanspraak op een zekere controle

ten aanzien van de besteding van door de kerkgemeente opgebrachte gelden en goederen. Reeds in de 13e eeuw was het

gebruikelijk dat enkele parochianen als kerkmeesters (magistri fabricae/kerkvoogden) optraden. Zij hielden niet alleen toezicht

op het werk van de pastoors maar namen ook werkzaamheden van hen over. Deze kerkmeesters waren meestal welgestelde

burgers of belangrijke stadsnotabelen. Zij beheerden niet zelden een aanzienlijk patrimonium waaruit ze de bedeling

bekostigden. Dit patrimonium werd in de loop der jaren aangelegd door schenkingen van geld, renten, cijnsen roerende en

onroerende goederen. Giften die de kerkgemeente verkreeg omdat menig schenker hoopte zo de eeuwige zaligheid te

verwerven en zich een patina van eerbiedwaardigheid aan te meten. Ook de bekleding van het ambt van armmeester gaf

uitzicht op de hemelse zaligheid. Om voor steun van de armendis in aanmerking te komen, moest men binnen de parochie

wonen. Zwervers en andere lieden die zich langs ’s-Heeren wegen begaven, waren van deze ondersteuningsvorm uitgesloten.

Men diende een ‘rechte arme’ te zijn: niet in staat om voor zichzelf te zorgen en zonder familie die eventueel kon verzorgen.

Vaak diende men in het bezit te zijn van een officieel kenteken van de parochiedis.

     De bovengeschetste bedeling door kloosters en kerkgemeenten bleef op het platteland gedurende de verdere

middeleeuwen ongeveer ongewijzigd gehandhaafd. Echter in de steden deden zich veranderingen voor.

     Spitsen wij dit overzicht toe op de tamelijk autonome steden in het gewest Overijssel dan blijkt dat de pastoors daar al in de

13e eeuw moesten toestaan dat het stadsbestuur de rol van de kerkgemeente op het gebied van de kerkvoogdij en de

armenzorg naar zich toetrok; de magistraat wees jaarlijks de kerkmeesters aan en zo werd het beheer van de armendis een

zuiver burgerlijke aangelegenheid.

     De burgerlijke overheid in de stedelijke groeikernen ging zich vanaf die tijd intensiever bezighouden met de armenzorg. Niet

alleen vanuit het oogpunt van stedelijk prestige, maar ook i.v.m. de openbare orde had men er belang bij dat allerlei dakloze

lieden in de stad een opvang mogelijkheid kregen. Daarom nam het stadsbestuur, of namen tot het patriciaat behorende

burgers, het initiatief tot het oprichten van een eerste gasthuis. De oudste stedelijke gasthuizen waren alle in eerste aanleg

passantenhuizen; vaak gelegen bij de stadspoort of juist buiten de stad. Minvermogende reizigers konden er één of twee

nachten een onderkomen krijgen. Daarna moesten ze vaak de stad ‘rumen’ en mochten er de eerste vier of zes weken niet

terugkeren. De meeste van deze oude gasthuizen heetten Heiligegeesthuis of Heiligegeestgasthuis omdat de armenzorg in

verband werd gebracht met de werking van de Heilige Geest. De gasthuisbestuurders die door het stadsbestuur werden

aangesteld noemde men daarom in sommige streken Heiligegeestmeesters (provisores domus sancti spiritui). In de oostelijke

streken van ons land noemde men ze ‘beraders’, ’gasthuismeesters’ of ‘provisoren’. De laatste aanspreektitel was in Steenwijk in

de 16e eeuw nog gebruikelijk. Vele van deze Heiligegeestgasthuizen hadden een oude relatie met de parochiale armenzorg. Zo

verzorgde het Catharinagasthuis de twee-wekelijkse ondersteuning aan de ‘huys-sittende’ armen in de stad Steenwijk, hetgeen

waarschijnlijk een voortzetting was van de parochiale armendis. Het startkapitaal van deze eerste stedelijke

gasthuizen/passantenhuizen werd verstrekt door welvarende burgers en/of kwam van het stadsbestuur zelf. Na de fundatie

van de instelling bouwde men het vermogen uit door schenkingen van geld, renten, roerende en onroerende goederen. Aan

verschillende van deze giften waren soms voorwaarden verbonden; men diende voor de schenkers memoriemissen te houden

of er moesten uitdelingen worden verricht aan armen buiten het gasthuis. Het Steenwijker Katharinagasthuis was bijvoorbeeld

verplicht om op de kerkelijke hoogtijdagen uitdelingen aan armen en melaatsen te verrichten. Soms werden de bij de

schenkingen aangegane verplichtingen tot een last voor de instelling want men diende bijvoorbeeld ook in tijden van schaarste

eraan te voldoen. Wanneer iemand in het gasthuis overleed kwamen zijn, overigens vaak schamele bezittingen, meestal aan

het gasthuis toe. Reeds in de 13e eeuw maakten de stadsbesturen van de aanwezigheid van een gasthuis gebruik om er de

eigen armen/zieken permanent te verzorgen. Deze arme lieden werd een ‘proeve’ in het gasthuis toegestaan en noemde men

proveniers. De verzorging in de gasthuizen was schijnbaar goed want welvarende lieden probeerden zich ook in het gasthuis

een plaatsje te verwerven, om zo een verzorgde oude dag te genieten. Zij beloofden de instelling hun nalatenschap of

betaalden een inkoopsom; vandaar dat wij deze bemiddelde proveniers ‘kostkopers’ noemen. Het spreek vanzelf dat deze ‘rijke

proveniers’ een andere behandeling genoten dan de ‘arme proveniers’ en de andere gasthuisbezoekers. Deze ontwikkeling

plaatste het stadsbestuur voor een dilemma: handhaving van de oorspronkelijke gasthuis/passantenhuis-functie of kiezen voor

het aantrekkelijke kost-kopers-stelsel. In stedelijke keuren werd getracht het aantal proveniers te limiteren zodat er plaats bleef

voor armen en reizigers. Vele gasthuizen werden aldus gasthuis/proveniershuis: proveniers bewoonden het tehuis en in de

‘beyert’, een soort ontvangstgebouw, kon vrijwel een ieder terecht.

     De betrokkenheid van het stadsbestuur bij de armenzorg beperkte zich niet tot het stichten van gasthuizen; tevens hield men

toezicht op het financieel beleid van deze en andere liefdadigheidsinstellingen. Zij steunde de liefdadigheidsinstellingen verder

door er allerlei voorrechten aan te verlenen en soms door bepaalde stedelijke inkomsten aan ze te doen toekomen. Ook gaf

men in bepaalde gevallen uit eigen middelen directe steun aan personen. Waarschijnlijk betrof het dan lieden die tevoren in

dienst van de stad waren geweest. Tevens ontfermde het stadsbestuur zich vaak over bepaalde soorten hulpbehoevenden.

Vondelingen en wezen werden op stadskosten uitbesteed, ‘dollen’ werden in hokjes of een dolhuis ondergebracht en voor

lepralijders creëerde het stadsbestuur een aantal faciliteiten.

     Naast de bovengenoemde vormen van armenzorg kwamen er in de late middeleeuwen diverse andere vormen van, zowel

particuliere als geïnstitutionaliseerde armenzorg voor.

     Allereerst waren er de broederschappen. Broederschappen waren verenigingen van geestelijken en/of leken, die ten

behoeve van het zieleheil van de broeders zielemissen (memorie-anniversarium) hielden om de hemelse zaligheid te

verwerven. Deze broederschappen beperkten zich niet tot het houden van zielemissen op het eigen altaar, tevens legden zij

zich vaak toe op het beoefenen van werken van barmhartigheid, zoals het houden van uitdelingen ten behoeve van de

huiszittende armen of het steunen dan wel beheren van inrichtingen van armenzorg. Zij werden daartoe dikwijls in staat gesteld

door aanzienlijke legaten. Verschillende van dergelijke broederschappen werden opgericht in samenhang met een gasthuis of

een parochiale armendis. Zij namen binnen zo’n instelling een deel van de zorg voor hun rekening. Andere broederschappen

bezaten armenhuizen, die ze beschikbaar stelden voor de armen, of verzorgden ‘huis-zittende’ armen. In Steenwijk zijn een

zestal van deze broederschappen, het merendeel slechts bij name, bekend; alleen omtrent de Onze-Lieve-Vrouwe-

Memoriebroederschap beschikken wij over voldoende bronnenmateriaal om ons een beeld van een derelijke instelling te

vormen.

     Broederschappen voor andere doeleinden opgericht waren de z.g. ambachtsgilden. Deze vormden meer belangengroepen,

die naast regelgeving op ambachtelijk gebied zich tevens inspanden om middels de armenkassen zieke- of bejaarde

gildebroeders (ook weduwen en wezen) te ondersteunen. Sommige grote ambachtsgilden wisten een eigen gast- of

bejaardenhuis te stichten en te onderhouden.

     Naast bovengenoemde institutionele armenondersteuning mogen ook de particuliere inspanningen niet onvermeld blijven.

Men gaf aan collectes; men schonk aalmoezen aan bedelaars en sommige lieden hielden een z.g. spinde: een uitdeling van

voedsel, kleding of schoeisel.

     Opvallend aan deze middeleeuwse armenzorg is dat men geen pogingen in het werk stelde om de zorg te systematiseren

en niets aan de oorzaken van de armoede deed. De reden dat men niet tot systematische hulpverlening kwam, had te maken

met de motieven van de hulpverleners. Vele beoefenaars van de naastenliefde gebruikten het terrein van de armenzorg om hun

zieleheil te bewerken. Men had in feite de armen nodig, vandaar dat armoede niet werd gezien als een schande; wel als een

door God opgelegde beproeving. Zodoende ondernam men niets tegen het fenomeen armoede en kwam men zelden tot

gecentraliseerde aanpak daarvan. Voor de overheid was de zorg voor de gevestigde orde meestal bepalend voor het moment

dat zij overging tot bepaalde charitatieve initiatieven.

     Er zijn natuurlijk ook andere motieven geweest om de armen en gebrekkigen te ondersteunen. Zo zien wij ondervloed van

de Moderne Devotie medemenselijkheid als een motief voor ondersteuning naar voren komen.

     Er werden vele prestaties op het zorgvlak geleverd, doch de ondersteuning evolueerde niet mee met de aan het eind van de

middeleeuwen sterk toegenomen behoeftigheid. Toen aan het eind van de 15e eeuw en het begin van de 16e eeuw de nood bij

velen het grootst was, bleek de versnipperde armenondersteuning onvoldoende in staat hulp te bieden. Een leger van

bedelaars, havelozen en ‘scamele lieden die om heure broot gaen’ trokken langs dorpen en steden en werden tot een ware

plaag Een mentaliteitsverandering t.o.v. de armen trad op. De positieve houding die tot dan het middeleeuwse mensbeeld had

bepaald, wijzigt in de late 15e en 16e eeuw onder invloed van het humanisme, de reformatie en niet in de laatste

plaats door de veranderende economische opvattingen. Men ging de arme beschouwen als een ongunstige economische

factor die stijging van de loonkosten veroorzaakte en daarom beperkt diende te worden; niet langer werd de sociaal-

economische politiek geïnspireerd door de beginselen van Christelijke naastenliefde maar door het kapitalistische

ondernemerschap.  Vanaf 1461 ging de landsoverheid zich steeds meer bemoeien met de armenzorg: een reeks edicten en

plakkaten tegen bedelaars en zwervers verscheen. In oktober 1531 vaardigde Karel V zijn armenwet uit; de overheid wilde de

armenzorg zelf ter hand nemen. Aan de ene zijde dienden de verschillende armfondsen gecentraliseerd te worden, maar

anderzijds diende er streng opgetreden te worden tegen de bedelarij. Gelet op het verzet dat de centralisatie-politiek der

Habsburgers opriep, mag het ons niet verwonderen dat van de uitvoering van deze regeling weinig terecht kwam en dat de

gewenste uniformering van de armenzorg pas onder leiding van de gereformeerde kerk gerealiseerd werd.

De 16e, 17e en 18e eeuwse ontwikkeling.

     De reformatie bracht grote veranderingen te weeg. De geestelijke goederen op het platteland, voornamelijk de bezittingen

van de kloosters, kwamen in het bezit van de wereldlijke overheden. De bezittingen van de gewezen katholieke kerk (de

kerkelijke goederen) gingen, soms na heftige tegenstand van de magistraat, over naar de aanhangers van de nieuwe

gereformeerde leer. Alle bepaalde bestemmingen van deze kerkelijke fondsen, gebaseerd op de inrichting en de aard van de

katholieke kerk, vervielen. De gereformeerde kerk kon deze kerkelijke goederen aanwenden voor haar eigen specifieke

doeleinden. Naast het onderhoud van de gebouwen werden ze o.a. gebruikt voor de bezoldiging van de predikant(en), koster(s)

en schoolmeester(s) en ten bate van de armenzorg.

     Het Calvinisme stelde met nadruk dat Staat en Kerk ieder zijn eigen terrein had waarop zij zelfstandig, ieder met zijn eigen

middelen, de een met het zwaard en de andere met de sleutels van het hemelrijk, werkzaam behoorden te zijn. De

gereformeerde kerk vond de armenzorg behorend tot haar werkterrein; een kerkelijke aangelegenheid: de liefde tot Christus

diende als drijfveer om de medemens te helpen. De armenzorg werd weer in zijn oud-christelijke vorm geïnstitutionaliseerd:

een herwaardering van het diakonaat vond plaats.

De gereformeerde kerk probeerde na het instellen van haar diakonale armenbeurs de gehele armenzorg aan zich te trekken. De

kerk kon zich aldus manifesteren als een ‘goede vader kerk’, en evangeliseren onder de grote groep verarmde katholieken en

andere ‘wijfelachtigen’.

     Niet overal lukte deze machtsgreep van de gereformeerde kerk. In Steenwijk zien wij de gereformeerde kerk op 13 april 1581

de kerkelijke goederen (de bezittingen en inkomsten van het gewezen kapittel en de in de St. Clemenskerk gestichte vicarieën,

en de fabrieken en pastorieën van deze en van de O.L.-Vrouwenkerk afkomstige renten) toegewezen gekregen, doch niet de

gehele armenzorg naar zich toetrekken. De reden was dat ‘het rentambt van het kapittel’ (zoals de voormalige kerkelijke

goederen worden genoemd) niet bij machte was om de financiële consequenties van de stedelijke armenzorg te dragen. De

stad was in de periode 1582-1592 in Spaanse handen en werd bij het ontzet door Maurits in 1592 zwaar gehavend. De

Gasthuiskerk werd volledig verwoest en de Grote Kerk liep ernstige schade op. De inkomsten uit ‘het rentambt’ waren

nauwelijks voldoende om een gefaseerd herstel van de Grote Kerk te bekostigen, laat staan om de diakonale armenbeurs

ermee te voteren. De op 25 december 1592 ingestelde diakonale armenbeurs werd dan ook door collecten gefinancierd. De

diakonale zorg beperkte zich schijnbaar tot de gereformeerde gemeenteleden, want 1602 zag het stadsbestuur zich

genoodzaakt om een eigen stadsarmenbeurs in te stellen.

     Terwijl de kerkelijke goederen veelal overgingen naar de gereformeerde kerk, bleven middeleeuwse instellingen als

gasthuizen, leprozerieën en broederschappen in handen van het stadsbestuur. De oorspronkelijke bestemming van deze

fondsen bleef aanvankelijk gehandhaafd, doch wijzigde in de loop der jaren. In Steenwijk zien we na de komst van de diakonie-

en stadsarmenbeurs verschillende van deze fondsen samengevoegd en de gelden voor andere doeleinden gebruikt worden.

Het St.-Katharinagasthuis bleef tot 1623/1629 nog actief op het gebied van de armenzorg; daarna werd het in feite een

particulier bejaardentehuis. De O.L.-Vrouwe-Memorie-broederschap werd een rentambt waaruit tot in het begin van de 18e

eeuw een aantal proveniers werden onderhouden; vanaf dat tijdstip werd dit fonds aangewend om in de in financiële nood

verkerende gereformeerde kerk bij te springen. Ook de Swindermansstichting werd aanvankelijk nog gebruikt om verarmde

stadsgenoten hulp te bieden, echter vanaf 1627 begon het stadsbestuur dit fonds stelselmatig voor allerlei andere doeleinden

te gebruiken.

     De gewijzigde houding, die zich vanaf de late middeleeuwen ten op zichte van de armlastigen aftekende, zette na de

reformatie door. Men beschouwde steunverlening aan armen eigenlijk als een bron van ledigheid. Vanuit die opstelling namen

stedelijke en gewestelijke besturen regelmatig maatregelen ter bestrijding van het bedelen en landlopen. Het Steenwijker

stadsbestuur vaardigde bijvoorbeeld in 1625 een resolutie uit ‘tegen het bedelen langs de straten’.  Ook het kerkbestuur stelde

restricties voor hen die in aanmerking voor ondersteuning kwamen: bejaarden, wezen en gebrekkigen konden niets aan hun

uitzichtloze positie doen, maar de anderen...?

     In de 2e helft van de 17e eeuw en de 1e helft van de 18e eeuw werden de sociale problemen, ten gevolge van de

verslechterende economische omstandigheden, steeds groter. Een groter segment van de stadsbevolking was aangewezen op

ondersteuning van een relatief kleinere en minder welgestelde groep medeburgers. Allerlei maatregelen werden genomen om

het aantal ‘profiteurs’ te limiteren. Tevens werd getracht om de zorg te optimaliseren. In Steenwijk werd de armenzorg

gecentraliseerd; de gereformeerde kerk kreeg in 1727 de supervisie over de stedelijke armenzorg. De stadsarmenbeurs werd

door de magistraat met de diakoniebeurs samengevoegd om zo de zorg te effectueren en misbruiken te bestrijden. De

kerkdiakenen kregen het beheer over de gezamenlijke inkomsten onder voorwaarde dat de stadsaalmoezeniers-beursarissen

bij de uitdelingen mochten helpen. De dissenters zorgden toen reeds in toenemende mate voor hun eigen behoeftigen; de

doopsgezinden en katholieken vielen op de eigen geloofsgemeenschap terug.

     In de 17e en 18e eeuw zien wij dat de stedelijke overheden somtijds pogingen in het werk stelden om iets aan de oorzaken

van de armoede te doen. Men trachtte om arme lieden in speciaal opgerichte bedrijfjes, werk en een inkomen te verschaffen.

     Met de komst van de Bataafse Republiek verloor de gereformeerde kerk haar centrale positie binnen de armenzorg. De

landsregering ging zich aktief bezighouden met de bevordering van de algemene welvaart en bracht het beginsel van

overheidsbemoeiing met de armenzorg. Op 15 juli 1800 kwam als uitvloeisel hiervan een algemene armenwet tot stand. Hierin

kreeg de staat toezicht op de verschillende instellingen welke op het terrein van de armenzorg werkzaam waren.

 Diverse instanties in Steenwijk.

     Na de reformatie bleven verschillende instellingen, die vanuit de middeleeuwse ziele-heilsverwachting waren opgericht en

gefourneerd, voortbestaan. Ofschoon deze fondsen nauwelijks werden aangevuld met giften, bleven zij zich vanuit hun

middeleeuwse kapitaalspositie nog geruime tijd op sociaal gebied manifesteren. Daarnaast zijn wij getuigen van de instelling

van de op gereformeerde leest geschoeide diakonale armenzorg en de stedelijke inspanningen middels o.a. een

stadsarmenbeurs. Tenslotte waren er nog een tweetal particuliere fondsen: één gesticht vlak voor de reformatie en het andere

aan het eind van de 18e eeuw.

    De Onze Lieve Vrouwe Memorie-broederschap.

     Van de zes broederschappen die Steenwijk in de middeleeuwen placht te bezitten, restte in de 16e eeuw alleen ‘de

Memorie’. Deze lekebroederschap, waarvan de precieze stichtingsdatum ons onbekend blijft, richtte d.d. 14 juli 1450 in de

O.L.Vrouwekapel een altaar op dat gewijd was aan O.L.Vrouwe, de 10.000 Martelaren en St.Barbara. De broederschap bestond

toen reeds enige tijd omdat in de confirmatie-acte van bovengenoemd altaar vermeld staat: ‘sommige broeders en

susters...uter tuyt ende deels noch in leven wesende’.

     Het gilde had twee memoriemeesters die tot taak hadden aalmoezen te verstrekken aan gilde leden die ziek of oud waren;

de weduwen van overleden broederschap-leden te onderhouden en als er daarna nog aalmoezen over mochten blijven,

daarvan blinden en wezen te ondersteunen. Tevens dienden de memoriemeesters de officiant van het altaar te assisteren bij de

vijf missen die er wekelijks gehouden werden. Tijdens de vrijdagmis werden de namen van de broeders en zusters die

afgestorven waren opgelezen.

     Uit het register van de giften en gaven blijkt dat het merendeels om roggepachten ging en dat deze broederschap niet

alleen in de stad maar ook daarbuiten haar ‘aanhang’ vond; wij komen donaties tegen uit o.a. Wapse, Callenkote en het

Vollenhoofse land.

     Na de reformatie bleef de Memorie nog tot 1602 bestaan, want in dat jaar betaalde de memoriemeester (er was nog èèn) de

kosten voor een maaltijd die dertien gildebroeders, bij het af lezen van de jaarlijkse rekening, gehouden hadden. Daarna werd

de memorie een rentambt. De rentmeester, die door het stadsbestuur werd aangesteld, droeg tot 1690 nog de traditionele

naam memoriemeester; daarna werd hij rentmeester genoemd.

     De O.L.Vrouwe Memorie zorgde in de 17e en een deel van de 18e eeuw voor een achttal huiszittende armen, die via de

magistraat een uit geld en rogge bestaande proeve kregen toegewezen. Daarnaast deed men soms behoeftigen in de kost of

gaf ondersteuning op andere wijze. Tevens bestond de mogelijkheid een proeve te kopen.

     Na 1684 begon de uitholling van dit rentambt. Niet langer werden de gelden enkel aangewend voor armenzorg-doeleinden,

ook andere kosten werden op de memorierekeningen gecrediteerd. In 1710 werd zelfs besloten om geen proeven meer te

begeven, de proveniers te laten uitsterven en het memorie-rentambt aan het in financiële nood verkerende kapittel-rentambt te

subsidiëren. Niettemin ging de rentmeester van de memorie na deze resolutie nog geregeld door met het doen van uitkeringen

aan proveniers.

     In 1713 blijkt de administratie van de memorie opgedragen aan dezelfde rentmeester als die de Swindermans-stichting

administreerde. Enkele jaren later (rekening 1720/1721) werden de twee rentambten tot èèn fonds samengevoegd.

  De Swindermansstichting.

     Deze stichting dankt haar ontstaan aan het particulier initiatief van Mr. Harmen van Swinderen, een kanunnik die omstreeks

1560 overleed. De oorspronkelijke bedoeling was steunverlening aan de tot armoede vervallen familieleden van de stichter en

hun nakomelingen, alsmede aan enige huiszittende armen. Mr. Van Swinderen had de schepenen tot ‘overste patronen’ van zijn

stichting aangewezen en deze droegen het beheer ervan op aan provisoren of administrateuren. De stichting had een aantal

Swindermans- of armenhuizen waarin arme lieden konden worden ondergebracht.

     Evenals bij het memorie-rentambt gebruikte het stadsbestuur ook dit fonds voor allerlei zaken, die soms wel binnen de

doelstelling van de stichting pasten doch vaak aan het oorspronkelijke doel voorbijgingen. Reeds in 1627 bestemden Raad en

Meenthe een deel van de inkomsten tot het onderhoud van de in dat jaar gebouwde nieuwe school en de gage van de rector. In

de rekeningen treft men verder o.a. posten van de uitgaven die men verrichtte ten behoeve van vroedvrouwen, voor examens

van stadgenoten, vanwege het uitzetten van vis in de Aa, voor gekochte struiken, i.v.m . ‘het beaarden van de romp van de van

de galg gevallene’ en voor werk dat verricht werd aan de Swindermanshuisjes en het schoolgebouw.

     Zoals vermeld, was in 1713 de administratie van de Swindermans en die van de Memorie in handen van dezelfde

administrateur. Enige jaren later volgde samenvoeging waardoor het rentambt van de O.L.V.-memorie en Swindermansstichting

ontstond.

  De Onze-Lieve-Vrouwe-memoriebroederschap en Swindermansstichting.

     Dit samengevoegde rentambt diende van 1748 af, naast de reeds onder elk afzonderlijk rentambt vallende lasten, het

tractement van de schoolmeester-organist en de koster te financieren. Wederom werd dat jaar besloten om uit dit fonds geen

proeven meer te geven. Aldus verwerd dit fonds, hetwelk oorspronkelijk voortkwam uit twee stichtingen die een belangrijke rol

gespeeld hadden binnen de stedelijke armenzorg, tot een soortement subsidiefonds voor kerk en school.

  De diakonie.

     Het kapittel en de in de St.Clemenskerk gevestigde vicarieën, alsook de O.L.Vrouwekerk met haar vicarieën, waren

belangrijke onroerend—goedbezitters in het middeleeuwse Steenwijk en wijde omgeving. Deze kapitaalsgoederen hadden

garant gestaan voor aanzienlijke inkomsten aan pachten en renten. Toch lijkt dit patrimonium (te) zwaar belast te zijn geweest

met het onderhoud van haar kerken, het kapittel (met zes kanunniken en een deken) en verschillende officianten. Vandaar

mogelijkerwijs de schaarse vermeldingen omtrent middeleeuwse kerkelijke armenzorg: het patrimonium pauperum bood

weinig financiële middelen om deze zorg te verrichten. Uit enkele historische feiten blijkt dat het kapittel reeds in de tweede

helft van de 14e eeuw een kostkopers-proveniersstelsel toepaste. Tevens verzorgde de kerk op kerkelijke hoogtijdagen (de z.g.

geveldagen) brooduitde1ingen; een gewoonte die mogelijkerwijs teruggaat op de parochiale armendis.  Het stadsbestuur had

reeds voor de reformatie invloed binnen de katholieke kerkgemeente; jaarlijks benoemde het stadsbestuur drie kerkvoogden.

     Na de reformatie, die officieel op 4 november 1579 plaats vond, doch door het Spaanse intermezzo van 1582-1592 zich pas

daarna in vrijheid kon manifesteren, kwamen alle bezittingen van de kerkelijke of ecclesiastique goederen (van het kapittel, de

vicariëen, de pastorieën en de fabrieken) toe aan de gereformeerde kerk. Ze werden verenigd in een administratie die

gewoonlijk het ‘rentambt van het kapittel’ wordt genoemd. De rentmeester van dit rentambt moest verantwoording afleggen bij

de Schepenen en Raden. De magistraat handhaafde haar invloed binnen de gereformeerde kerk door in zowel de oude als

nieuwe kerkraad een der burgemeesters zitting te doen hebben (de z.g. politieke-commissaris).

     Op 25 december 1592, bijna een half jaar na het ontzet door Maurits, begint ‘Het boeck des ontfanckst ende uthgaeve der

aalmoesen by der diaconien der gemeinte Christi in Steenwyck’. De diakonale zorg kreeg daarmee een aanvang voordat de

kerkgemeente erin slaagde zich van een nieuwe predikant te voorzien.  Het diakonale fonds werd van gelden voorzien door de

‘buedel van de huisarmen’: men collecteerde voor de huiszittende armen. De diakoniebeurs werd dus niet voorzien van

middelen door de ecclestiastique goederen er mee te bezwaren. De reden hiervoor lijkt duidelijk: de nieuwe gereformeerde

kerk kon zich niet veroorloven om deze ‘katholieke erfenis’ voor haar diakonale zorg aan te spreken daar men die fondsen na het

ontzet te hard nodig had om allerlei herstelwerkzaamheden aan kerkgebouwen en andere bezittingen te verrichten. Tevens

wisten de ‘ex-katholieke-gereformeerden’ hoe zwaar het onderhoud van de kerkgebouwen en de andere bezittingen, alsmede

de tractementen voor de verschillende officianten, op de kerkelijke fondsen hadden gedrukt. De zorg van de diakonie betrof

voornamelijk de eigen kerkgemeente. Men deed in Steenwijk geen poging om, zoals in vele andere steden, de gehele

stedelijke armenzorg aan zich te binden, omdat men dit financieel niet kon waarmaken. In 1727 diende de diakonie, daartoe

aangezet door het stadsbestuur, door samenvoeging met de stadsarmenbeurs, de gehele stedelijke armenzorg voor haar

rekening te nemen.

     De diakonie kende verschillende vormen van ondersteuning: men plaatste mensen tegen betaling van z.g. kostpenningen in

de kost; men verschafte kleding (volgens een resolutie d.d. 3 december 1679 voorzien van het stadswapen op ‘haer arm’); men

betaalde noodzakelijke medicijnen; men gaf lijfrenten (eventueel aangevuld met extra-ondersteuning) en men sprong bij in

allerlei andere zich voordoende noodsituaties.

     De tabel op de volgende bladzijde geeft ons een indruk van de inkomsten die de diakonie ontving en de uitgaven die ten

laste van de diakoniebeurs werden verricht

tabel 5 (in Carolus guldens)

jaar

        ontvangst

       uitgaven

   jaar

  ontvangst       uitgaven

1595

        505-15- 0

       283- 0- 0

   1699

  1998- 9- 0      2085-12- 8

1609

        412-13-4

       370-14- 0

   1709

  2286- 7- 0      1934- 8-12

1619

        414-14-12

       329- 4- 4

   1719

  1940- 9-12      1835- 8- 4

1629

        595-19- 2

       462- 7-14

   1729

  1768- 7- 0       1645- 6-12

1639

        882- 7- 8

       777-12- 0

   1739

  2780-17- 8      2644- 1- 0

1649

        2657- 6- 4

       2502-18- 6

   1750         2418- 1- 0        2422-14- 8

1659

        3354-16- 8

       3308- 8- 0

   1759

 2564- 9- 6       2560- 9- 2

1669

        1922- 2- 0         1737- 1- 0

   1769

 3378-16- 6      2941- 4- 0

1679

        1875-18- 0

       1860- 5- 0

   1779

 3523- 3- 0       2625-15-15

1689

        3112-15-12

       2125- 1- 8

   1789

 2932- 3- 4       2932- 1- 1

    Het stadsbestuur.

     Bij de beschrijving van de instellingen viel ons reeds de krachtige invloed van het stadsbestuur op; verschillende instellingen

waren in wezen stedelijke fondsen. Tevens ontplooide het stadsbestuur daarnaast nog eigen initiatieven om de armlastigen te

ondersteunen. Zo werd in 1602, naast de in 1592 door de kerk opgerichte diakoniebeurs, een stadsbeurs ingesteld. Deze beurs

die voor ‘alle-gezindten’ was, werd beheerd door vier jaarlijks te benoemen aalmoezeniers/beursarissen. (58) Bij de oprichting

ervan wezen Schepenen en Raden tot haar inkomsten vaste jaarlijkse bijdragen van het gasthuis, de O.L.Vrouwememorie en de

Swindermansstichting aan; dit waren immers instellingen die bedoeld waren om op het gebied van de armenzorg aktief te zijn.

Verder ontving men de opbrengst van een 14-daagse deurco11ecte, (59) legaten en godspenningen van koopmanschappen. De

bijdragen van het gasthuis en de twee andere stichtingen, blijken in de rekeningen lager dan hun in 1602 waren opgelegd; zij

hielden bovendien spoedig op. (60) In plaats van de godspenningen stelde Raad en Meente op 31 maart 1654 de betaling

verplicht van een oortje (z.g. armenoortje) van elke goudgulden opbrengst van de verkoop en verbuiting van onroerende

goederen en van collaterale successie door de kopers en verkopers en èèn duit per goudgulden van de bij executie verkochte

goederen, door de kopers. Ook de pachters van de stadslanderijen en tollen betaalden armoortjes. Priesters, die kinderen tot

het roomse geloof wilden dopen, moesten volgens een resolutie van 1 maart 1727, vooraf 10 ducaten in de speciaal voor de

armoortjes ten raadhuize geplaatste bus deponeren. Nieuw aangenomen gildebroeders gaven een kleinigheid aan de beursaris

en bij overtreding van de gildekeuren ging vaak een deel van de boete naar de stadsarmen.

     Gebrek aan samenwerking tussen de diakenen en de aalmoezeniers gaf aanleiding tot misbruik van de fondsen. Daarom

besloot de raad en meente om de controlemogelijkheden te vergroten door in 1727 de beide beurzen samen te voegen. Het

beheer van de gezamenlijke inkomsten kwam in handen van de diakenen, onder voorwaarde dat de aalmoezenier/beursaris bij

de uitdelingen en uitbestedingen mocht assisteren. Voortaan voegde de Magistraat bij de door de beursarissen langs de huizen

en op markten gecollecteerde en van de gilden ontvangen aalmoezen —verminderd (tot 1769) met het salaris van de

catechiseermeester- de armoortjes uit de bus op het raadhuis en droeg het bedrag elk jaar over aan de diakonie. (62) De

diakonie was overigens allesbehalve ingenomen met haar nieuwe taakstelling, want zij kreeg die toegewezen in een periode

dat veel armlastigen de stad vulden. Ds. Sluiter weigerde zelfs, uit onvrede met de gang van zaken, zijn handtekening te

plaatsen onder de rekening van de samengevoegde beurs.

     In de stad genoten armen en onvermogenden sedert 1 mei 1619 gratis geneeskundige hulp. Vrouwen konden bovendien

verloskundige hulp krijgen van een vroedvrouw die daarvoor -evenals de dokter- uit de stadskas een salaris genoot.

     Behalve dat het stadsbestuur allerlei proveniers ten laste van de memorie, de Swindermansstichting en het gasthuis

aanwees, gunde zij voor eigen rekening ook proeven: soms geheel belangeloos doch meestal na het overleggen van

‘kooppenningen’.

     Al deze inspanningen van het stadsbestuur waren bedoeld voor de eigen burgerij; ten op zichte van arme vreemdelingen

werden de bestuurderen allengs onvriendelijker. In 1625 verscheen een resolutie tegen het bedelen langs de straten en in de

18e eeuw volgden allerlei resticties om lieden van buiten de stad te weren of zelfs uit te wijzen.

   Het legaat Tuttel

     Ofschoon dit legaat aan het eind van de in deze studie behandelde periode afkwam, dient het volledigheidshalve genoemd

te worden. Het was stadssecretaris Mr. Hillebrand Tuttel, die in zijn testament d.d. 15 juni 1774, een somma van f 40.000,-

legateerde aan de stad Steenwijk. Hij bepaalde dat de rente over dit kapitaal jaarlijks op zijn geboortedag (8 juli) verdeeld zou

worden onder verarmde oude bouwlieden, boeren en voerlieden, zijnde allen grootburgers van de stad Steenwijk. (67)

     Het beheer en de administratie van dit legaat droeg hij op aan zijn broers Meinard en Arend Tuttel, die het zouden uitoefenen

onder toezicht van het stadsbestuur. Mochten er geen erfgenamen meer zijn dan zou het fonds onder het beheer van het

stadsbestuur komen.

 Het St.-Kathrinagasthuis of -proveniershuis.

     Ofschoon in deze studie de financiële, sociale en bestuurlijke ontwikkeling van deze instelling centraal staat, mag het

gasthuis, in dit algemeen overzicht van de instanties die zich bezighielden met de armenzorg in de stad Steenwijk, zeker niet

ontbreken. Dit vermoedelijk in de 14e eeuw als passantenhuis gestichte gasthuis, vervulde aanvankelijk een belangrijke rol

binnen de stedelijke armen- en ziekenzorg. In de loop van zijn bestaan waren er vele roerende en onroerende goederen aan het

gasthuis toegekomen, zodat de instelling tot de belangrijkste onroerendgoed-bezitters in de stad behoorde. De inkomsten uit

deze kapitaalgoederen werden aangewend om belangeloos reizigers, armen en zieken te verzorgen. Ook schijnen er z.g.

kostkopers in het gasthuis hun intrek genomen te hebben.

     Na de reformatie bleef de instelling nog enkele decennia op het terrein van de armenzorg aktief, doch veranderde geleidelijk

haar bestemming: voor arme, niets bezittende lieden was er geen plaats meer in het tehuis. De gewoonte om naast

belangeloze ondersteuning een aantal kostkopers tegen betaling van inkooppenningen te verzorgen, werd structureel en de

instelling veranderde in een soortement van particulier bejaardentehuis, waar men tegen betaling van inkooppenningen een

plaatsje kon verwerven. Vanaf het einde van de 17e eeuw werd het voor dit bejaardenpension steeds moeilijker om in de

verslechterde economische constellatie het hoofd boven water te houden; een bijkans hopeloze strijd werd gevoerd en

liquidatie maakte in 1776 een einde aan deze instelling, die zovele eeuwen zo’n belangrijke rol had gespeeld binnen de

stedelijke sociale zorg.

  Conclusie.

     Het waren de katholieke kerk, met de daaraan verbonden broederschappen, en het gasthuis die in het middeleeuwse

Steenwijk de zorg voor armen en zieken op zich namen. Beide instellingen hadden omvangrijke bezittingen om deze zorg te

kunnen realiseren. Hoe omvangrijk de zorg van deze instellingen was en hoe deze zich verhield ten op zichte van elkaar blijft

door het ontbreken van bronnenmateriaal onbekend.

     Na de reformatie was de gereformeerde kerk veruit de belangrijkste participant op het gebied van de armenzorg. Daarnaast

kweet het stadsbestuur zich van haar verantwoordelijkheid jegens verarmde stadsburgers door de instelling van een

stadsarmenbeurs. Een instelling als het gasthuis eindigde aan het begin van de 17e eeuw zijn bemoeienis met de stedelijke

armenzorg en werd een particulier bejaardenhuis en pension. Het aandeel van de andere instellingen binnen de stedelijke

armenzorg was marginaal. Zo betrof de ondersteuning van de O.L.Vrouwememorie in de 16e en 17e eeuw een achttal

proveniers en verzorgde de Swindermans in die periode onderdak en ondersteuning aan een zestal personen. De personen die

voor deze ondersteuning in aanmerking kwamen waren voor het merendeel bejaarde weduwen. Het aantal personen dat door

de diakonie en/of de stadsarmenbeurs werd ondersteund is onduidelijk daar geen van beide instanties gespecificeerde

rekeningen hebben overgeleverd; alleen de afgelezen jaarrekeningen zijn bekend. Wel blijkt uit vergelijking van deze

jaarrekeningen dat de diakonie het viervoudige te besteden had t.o.v. wat de beursarissen gemiddeld uit de armenbus

ontvingen.