© Albert
STEENWIEK

Historische

beroepen

Mattenvlechters

Lang geleden lagen er om Steenwijk grote gebieden, waarin het water niet ontbrak en de biezen veelvuldig voorkwamen. We be- hoeven in de geschiedenis niet heel ver te- rug te gaan om de bewoners te zien uitruk- ken en deze waterplanten te snijden, die dan gebruikt werden voor het vlechten van matten. Zo roand de eeuwwisseling werd dit werk nog veelvuldig uitgeoefend en zelfs tot omstreeks 1920 trof men in Steenwijk en omgeving nog mattenvlechters aan, die hiermee hun brood wisten te verdienen. Vooral in de winterperiode als er in het veen -bedrijf geen werk was te vinden, moest er wat verdiend worden en lange tijd stond dan het matraam in menige huiskamer. Het waren niet alleen de mannen die de kunst verstonden een vloermat te vlechten, ook verscheidene vrouwen verdienden er door dit werk een paar centen bij. Voordat men met het weven een aanvang kon maken, moest er eerst materiaal zijn. Dit was er in overvloed, en zoals men dat gewoon was, trok men reeds bij het krieken van de dag er op uit, meestal naar de trekgaten in Wap- serveen, en plukte daar russen. Wanner men een halve dag in dit polder gebied had gewerkt, werden de russen aan dikke bos- sen gebonden en wandelde men met het materiaal op de rug naar Steenwijk terug. Het ging toen allemaal te voet en misschien is men er later op de fiets ook nog wel eens op uitgetrokken, maar in dit grote waterge- bied kon men met dit vervoermiddel weinig doen. De gebonden russen werden dan aan dikkere bossen gebonden en aan een hoop bij elkaar gezet om de broei erin te krijgen. Door een dergelijke behandeling werden de russen taaier en konden beter verwerkt worden. De stengels braken niet zo gauw af en men kon ze plooien zoals men wilde. Dit broei proces gaf tevens een betere kleur aan het materiaal, wat natuurlijk de matten ten goede kwam. Toen de mattenvlechterij in Steenwijk en omgeving werd uitgeoefend, schommelde de petroleumlamp nog aan de zoldering. Het matraarn werd dan van de zolder gehaald en door eerst diverse dra- den te spannen kon men met het werk be- ginnen. Het was een weefgetouw, dat met de hand bediend moest worden. De mat- ten, die in Steenwijk en omgeving werden vervaardigd, waren dan ook uitsluitend handwerk. Er moest ontzaglijk veel werk verzet worden om wat te verdienen. De meeste belangstelling bestond voor matten van 24 el, waarvoor men een bedrag kreeg van f 2,25. Een 24 els mat is bijzonder groot, maar daarmee kon men dan ook de gehele vloer beleggen. Het duurde echter geruime tijd, voordat de mattenmaker zo'n 24 els mat van zijn weefgetouw kon halen. In de tijd van de mattenvlechters kende men ook de mattenschippers. In Steenwijk kwamen meestal opkopers voor deze matten, maar de meeste matten — en deze waren dan van biezen vervaardigd — werden hoofd- zakelijk in Blokzijl en Genemuiden gemaakt. De mattenschippers trachtten zoveel mogelijk rollers van deze matten aan boord te krijgen en voeren er dan mee naar het westen van het land. Het product werd daar dan voor zeven stuivers per el aan de man gebracht. De mattenhandel floreerde het best tussen Pasen en Pinksteren. Dat was het tijdstip dat de huisvrouwen pleegden schoon te maken. Een vloerkleed was nog steeds iets voor de betere stand en een mat van gevlochten russen meer voor de gewo- ne man, hetgeen beter was dan hele- maal niets op de vloer; bovendien was zo'n mat gemakkelijk te reinigen. Na de schoonmaak- tijd trokken de mattenschippers, waarvan er in Blokzijl wel vijftig waren, weer noord- waarts, waarbij ze dan langs de IJssel appels insloegen om hiermee naar Friesland te va- ren. De Friezen hadden weer aardappelen en hieraan had men in het lage land van de Noordwesthoek gebrek, zodat de matten- schipper ook in het najaar varende kon blij- ven. Zo kon ook deze schipper zijn boot door de wind laten voort glijden en de mat- ten naar diverse plaatsen brengen. Maar la- ter kwamen er diverse andere vloer bedek- kingen, die de russenmat  geheel deden verdwijnen. Kokos nam de voornaamste plaats ( Fabriek Nobelco Meppelerweg) in en met de mattenvlechters uit onze omgeving zijn in de loop van de twintiger jaren ook de mattenschippers voorgoed verdwenen

Tabaksindustrie

Sigarenmaker

De Steenwijker tabaks industrie  is jammer genoeg in rook  vervlogen. Omstreeks 1890  sterk ontwikkeld maar  rond 1950  was het bijna voorgoed voorbij. De grootste fabriek werd  De Tabaksplant  voor- heen Rijkmans waar vroeger wel honderd men- sen werkten. De fabriek  was in de Neerwoldstraat waar bekende merken werden gemaakt Albert Cuyp en Titus en pruim tabak Nikeso. Doosje met sigaren in verpakking van de Witte Raaf. In 1922  werd een fabriek opgericht met de naam de Witte Raaf waarvan de werkne- mers tevens  aandeelhouder waren. De laatste plaats van de fabriek is geweest  aan de Tukseweg  op de parkeerplaats  waar nu Lidll staat en daar voor stond er woning inrichting  D. De Vries. De fabriek heeft be- staan tot 1953  onder de naam  De Witte Raaf, er werden verschillende soorten siga- ren  gemaakt.

Stenenzoeker

De veld- en keistenen hebben honderden jaren voor de bewoners een bron van in- komsten gevormd. Zij werden voornamelijk gebruikt bij de aanleg van wegen en bij de oorlogsvoering in vroeger jaren. Er  wordt gesproken over de vrouwen, die bij de be- storming van Steenwijk  met stenen hun mannen te hulp snelden en de vijand ver- dreven. Een aannemelijker verklaring voor de naam Steenwijk is zeer zeker bron van de rijke steenvoorraad, die men vroeger in deze gebieden aantrof. Deze stenen hebben met alleen eeuwen geleden, maar tot zelfs bij de aanvang van de twintigste eeuw een rol gespeeld in het leven van de bevolking van Noordwest Overijssel, want zelfs in de jaren rand 1900 kwamen er nog mannen voor, die van beroep ,steenpunter" waren. Op de hoogste gebieden en vooral op de Steenwijker Kamp werden grote voorraden veld- en keistenen aangetroffen. Vele van deze stenen waren geschikt voor de bestra- ting van wegen en men trof er ook aan, die zo groot van omvang waren, dat de hune- bedbouwers jaloers hadden kunnen zijn. In de ijstijd zijn deze stenen naar onze gebie- den gespoeld en meestal tegen een heuvel- rug trof men de grootste hoeveelheden aan. Een voorbeeld van bestrating met deze keien is nu nog te zien aan de Onnadwars- straat waar men pas deze oude straat (Plein) heeft ondenkt met keien. Het delven van deze stenen heeft aan de arbei-dende bevolking van Steenwijk gedurende vele wintermaanden werk verschaft. In ver-schillende gesprekken met oude stad- en streekbewoners wordt hier nog uit eigen verklaring over verteld. In het laatst van de negentiende eeuw trok men er op uit met de schop en een puntijzer om met het zoge-naamde ,,steenpunten” een loon te verdie-nen. Zo’n puntijzer bestond uit een ijzeren stang van twee tot drie el lengte. Van boven was deze stang voorzien van een dubbel handvat en van onderen was een stalen punt, waarmee men in de grond boorde, om naar stenen te zoeken. Trof men een behoorlijke stenenlaag aan, dan werd de bovengrond verwijderd en werden de ste-nen blootgelegd en uitgegraven. De zware exemplaren liet men door middel van  kruit springen. Jaren geleden beschikte men niet over bakstenen; daarom werden de kleine veldstenen gebruikt voor het verharden van wegen en de grotere soorten deden dienst als fundering bij de bouw van huizen. Ook werden die grotere stenen naar Blokzijl vervoerd, waar ze bijzonder goed dienst konden doen bij de, versterking van de zeeweringen. Er zijn in Steenwijks omgeving nog vele namen, die aan dit steenzoeken  herinneren. Bijvoorbeeld de Steenakkers, de Steenwal (aan het Dolderkanaal) en de weg naar Tuk wordt ook nog wel Steendijk genoemd. Het zijn allemaal namen, die wij- zen op de, steenrijkdom  van dit gebied. Met zekerheid is het echter niet te zeggen. Ook het stadsarchief kan hieromtrent geen uitkomst geven, want dit dateert namelijk van omstreeks 1560. De namen zullen dus voor die tijd  al gekozen moeten zijn. Bij een grote brand in 1523 zijn alle schriftelijke be- scheiden vernietigd. Het steenpunten heeft men lange tijd uitgeoefend. Omstreeks het laatst van de negentiende eeuw woonde er aan de Woldpoort in Steenwijk een zekere Hetebrij, die nog handelde in veldkeien. De handelaar kocht grote massa's stenen op, die op de steenwal aan de Dolder een plaats vonden. Hier werden de stenen fijn geklopt en later verscheept naar elders voor wegenaanleg. Het stenen zoeken of beter gezegd stenen punten is lange tijd een bron van inkomen geweest voor de bevolking men kreeg als beloning tien cent per mand vol- en zelfs tot de aanvang van  de twintigste eeuw waren er mensen die met deze stenenhandel vooral in de winterperio- de hun brood verdienden.

Touwslager

In de negentiende eeuw speelde het touw vooral in deze agrarische omgeving een be- langrijke rol, want metaal was nog niet zo in gebruik.  De boer moest overal touw voor gebruiken: wanneer  het paard voor de wa- gen moest worden gespannen en o.a. in het hooiseizoen. En niet te vergeten de han- delsman en de fabrikant bij  het verpakken van allerlei producten.  Aan het begin van de twintigste eeuw waren er in Steenwijk een aantal lijnbanen of touwbanen, die een flinke productie hadden. Er was afname ge- noeg en zoals eens Michiel Adriaansz. de Ruyter aan het wiel stond te draaien, waren ook de Steenwijkers in actie  om touw te vervaardigen. De onderpaden langs de oude stadswallen waren daarvoor uitnemend geschikt; o.a.de families Panhuis, Oost, Middelwijk, Lang- man (Zoon Lebbert verhuisde naar Nijkerk in 1893 en bedrijf is nog steeds actief  tot heden) Visscher en Van Dalen oefenden dit beroep uit. Door de mechanisatie kwam er steeds meer metaal in omloop en werd ook het paard verdrongen, zodat de touw-wever slechts weinig  paarde strengen en -leidsels meer behoefde te vervaardigen. Toch is een van deze deze lijnbanen nog steeds intact gebleven.  In de tijd, dat het nog rustig en stil was aan de Looijersgracht. Men kende nog geen motoren en de geleerden zich de hoofden nog niet pijnigden met het maken van atoombommen, werd daar een lijnbaan in gebruik gesteld. De dames waren nog steeds gekleed in wijde hoepelrokken en droomden nog niet van nylons. In dit oude bedrijf  werd weliswaar gewerkt onder de meest erbarmelijke omstandigheden, maar desondanks bloeide het ambacht van touwslaan, een handwerk, dat tot op de huidige dag in ere bleef. Hier aan de Looijersgracht aan de voet van de lindereuzen, die het brede water omzomen, lag de  lijn-baan van de familie Van Dalen, een bedrijf dat al door vijf generaties is gevoerd. De familie Van Dalen heeft dan ook zeer oude rechten in de gemeente Steenwijk. Op een dag in het jaar 1836 hield de vroedschap der stad zich ernstig bezig met de aanvraag van Hendrik van Dalen, burger van d' Olde Veste, die aan de Hogewal een touwslagerij wilde beginnen. Hij vroeg daarvoor grond in erfpacht en dit werd verleend met recht van opstal. Voorlopig konden de Van Dalens vooruit; eerst in het jaar 2036 zal de pacht verlengd moeten worden. Wij vragen ons nu al af: ,Wie zal dan eigenaar zijn van  specifieke oude lijnbaanbedrijf?" Wellicht ook wel een Van Dalen, zoals in de afgelopen jaren. De erfpacht rustte aanvankelijk op het stuk grond langs de stadsgracht  aan de Hogewal, achter de tegenwoordige R.K. pastorie, dus op het gedeelte van de wal tussen de Molen- en de Scholestraat. Het was echter noodzakelijk dat de lijnbaan werd verlegd en daarom ging de erfpacht over op het perceel aan de Looijersgracht op de zelfde waar het bedrijf  gevestigd was. Deze verhuizing geschiedde al in het jaar 1868. Het oude touwslagerswiel was toen belangrijk onderdeel van de installatie en het is ook nu nog steeds in gebruik.De touwslager kan hiermee, zo dan wordt gezegd, slaan, spinnen en twijnen. Het slaan van touw is het in elkaar draaien van enige aparte draden tot een dik touw. Zo worden dan de leidsels en strengen voor de boeren gemaakt. Ook kon men uit een grote pluk hennep of vlas touw spinnen en dit deed de heer Van Dalen nog in het jaar 1936, toen het honderdjarig bestaan van dit bedrijf werd gevierd. In de beginperiode werd het garen, waarvan het touw werd gemaakt, ook in Steenwijk gesponnen. Later werd van de grote fabrieken het eendraads-garen betrok- ken. Enkele van deze draden worden dan in elkaar getwijnd tot een sterk touw. Het twij-nen van touw gebeurt nog net eender als meer dan een eeuw geleden. Er is dus aan de stadswallen in Steenwijk een zeer oud bedrijf op gang gebleven en er is zo te zien weinig aan de methode veran- derd. Het grote wiel moest met de hand worden gedraaid; dit is met de komst van de elektriciteit gewijzigd en de motor nam het werk over. In Steenwijk zijn in de loop der jaren al deze touwbanen verdwenen, de  laatste was van de  familie Van Dalen tot 1966 heeft deze het bedrijf gehad aan de Looijersgracht en is toen verhuist naar  het industrieterrein om daar in 1985 geheel met de productie te stoppen. De onderde- len van de touwslagerij  stonden bij de gemeente  opgeslagen zoals het grote wiel en andere zaken  maar helaas  zijn daar ook al onderdelen weg,

Zilversmeden

Fa. Bijkamp & Co  de laatste zilversmid . In het pand Markt 2 te Steenwijk was sinds 1835 de zilversmidswinkel van Bijkamp gevestigd. Op 14 februari van dat jaar liet Meine Bijkamp zich te Zwolle bij het Waardeborgkantoor inschrijven als goud- en zilversmid. Tot die tijd had hij als knecht gewerkt bij zijn neef Gerard Archibald Stuart, even- eens zilversmid te Steenwijk. Bij het overlijden van Meine Bijkamp in 1898, op negenentachtigjarige leeftijd, werd het bedrijf voortgezet door zijn zoon Jan Meine Bijkamp, die echter al in 1903 kinder- loos overleed.Twee zonen van zijn zuster Jentje Bijkamp uit haar huwlijk met Haije Visser, zetten het bedrijf voort onder de naam Fa. M. Bijkamp. In 1909 trad Meinard uit de firma. Jan Hendrik Willem Visser ( 1880 - 1950 ) heeft daarna kans ge- zien het, overigens al voor die tijd, goed renderende bedrijf uit te bouwen. In 1920 ging Visser voor wat betreft de aan de Weemstraat gevestigde fabriek/werkplaats, opnieuw een vennootschap aan: deze keer met zijn zwager Hendrik Roelof Bijkamp. Het bedrijf kreeg daarbij de naam Fa. Bijkamp & Co. De winkel aan de Markt werd in 1957 gesloten. De fabriek aan de Weemstraat bleef echter produceren tot in 1974. Talloze voorwerpen zoals mandjes, asbakjes, briefopeners, suikertangen, beurs- en tasbeugels alsmede een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid schepwerk zoals theelepels en taartvorken hebben de werk- plaats verlaten. 
© Lorem ipsum dolor sit Nulla in mollit pariatur in, est ut dolor eu eiusmod lorem
STEENWIEK

Historische

beroepen

Mattenvlechters

Lang geleden lagen er om Steenwijk grote gebieden, waarin het water niet ontbrak en de biezen veelvuldig voorkwamen. We be-hoeven in de geschiedenis niet heel ver te-rug te gaan om de bewoners te zien uitruk-ken en deze waterplanten te snijden, die dan gebruikt werden voor het vlechten van matten. Zo roand de eeuwwisseling werd dit werk nog veelvuldig uitgeoefend en zelfs tot omstreeks 1920 trof men in Steenwijk en omgeving nog mattenvlechters aan, die hiermee hun brood wisten te verdienen. Vooral in de winterperiode als er in het veen -bedrijf geen werk was te vinden, moest er wat verdiend worden en lange tijd stond dan het matraam in menige huiskamer. Het waren niet alleen de mannen die de kunst verstonden een vloermat te vlechten, ook verscheidene vrouwen verdienden er door dit werk een paar centen bij. Voordat men met het weven een aanvang kon maken, moest er eerst materiaal zijn. Dit was er in overvloed, en zoals men dat gewoon was, trok men reeds bij het krieken van de dag er op uit, meestal naar de trekgaten in Wap- serveen, en plukte daar russen. Wanner men een halve dag in dit polder gebied had gewerkt, werden de russen aan dikke bos-sen gebonden en wandelde men met het materiaal op de rug naar Steenwijk terug. Het ging toen allemaal te voet en misschien is men er later op de fiets ook nog wel eens op uitgetrokken, maar in dit grote waterge- bied kon men met dit vervoermiddel weinig doen. De gebonden russen werden dan aan dikkere bossen gebonden en aan een hoop bij elkaar gezet om de broei erin te krijgen. Door een dergelijke behandeling werden de russen taaier en konden beter verwerkt worden. De stengels braken niet zo gauw af en men kon ze plooien zoals men wilde. Dit broei proces gaf tevens een betere kleur aan het materiaal, wat natuurlijk de matten ten goede kwam. Toen de mattenvlechterij in Steenwijk en omgeving werd uitgeoefend, schommelde de petroleumlamp nog aan de zoldering. Het matraarn werd dan van de zolder gehaald en door eerst diverse dra-den te spannen kon men met het werk be-ginnen. Het was een weefgetouw, dat met de hand bediend moest worden. De mat-ten, die in Steenwijk en omgeving werden vervaardigd, waren dan ook uitsluitend handwerk. Er moest ontzaglijk veel werk verzet worden om wat te verdienen. De meeste belangstelling bestond voor matten van 24 el, waarvoor men een bedrag kreeg van f 2,25. Een 24 els mat is bijzonder groot, maar daarmee kon men dan ook de gehele vloer beleggen. Het duurde echter geruime tijd, voordat de mattenmaker zo'n 24 els mat van zijn weefgetouw kon halen. In de tijd van de mattenvlechters kende men ook de mattenschippers. In Steenwijk kwamen meestal opkopers voor deze matten, maar de meeste matten — en deze waren dan van biezen vervaardigd — werden hoofd-zakelijk in Blokzijl en Genemuiden gemaakt. De mattenschippers trachtten zoveel mogelijk rollers van deze matten aan boord te krijgen en voeren er dan mee naar het westen van het land. Het product werd daar dan voor zeven stuivers per el aan de man gebracht. De mattenhandel floreerde het best tussen Pasen en Pinksteren. Dat was het tijdstip dat de huisvrouwen pleegden schoon te maken. Een vloerkleed was nog steeds iets voor de betere stand en een mat van gevlochten russen meer voor de gewo-ne man, hetgeen beter was dan hele- maal niets op de vloer; bovendien was zo'n mat gemakkelijk te reinigen. Na de schoonmaak-tijd trokken de mattenschippers, waarvan er in Blokzijl wel vijftig waren, weer noord- waarts, waarbij ze dan langs de IJssel appels insloegen om hiermee naar Friesland te va-ren. De Friezen hadden weer aardappelen en hieraan had men in het lage land van de Noordwesthoek gebrek, zodat de matten-schipper ook in het najaar varende kon blij-ven. Zo kon ook deze schipper zijn boot door de wind laten voort glijden en de mat-ten naar diverse plaatsen brengen. Maar la-ter kwamen er diverse andere vloer bedek-kingen, die de russenmat  geheel deden verdwijnen. Kokos nam de voornaamste plaats ( Fabriek Nobelco Meppelerweg) in en met de mattenvlechters uit onze omgeving zijn in de loop van de twintiger jaren ook de mattenschippers voorgoed verdwenen

Tabaksindustrie

Sigarenmaker

De Steenwijker tabaks industrie  is jammer genoeg in rook  vervlogen. Omstreeks 1890  sterk ontwikkeld maar  rond 1950  was het bijna voorgoed voorbij. De grootste fabriek werd  De Tabaksplant  voor- heen Rijkmans waar vroeger wel honderd men- sen werkten. De fabriek  was in de Neerwoldstraat waar bekende merken werden gemaakt Albert Cuyp en Titus en pruim tabak Nikeso. Doosje met sigaren in verpakking van de Witte Raaf. In 1922  werd een fabriek opgericht met de naam de Witte Raaf waarvan de werkne-mers tevens  aandeelhouder waren. De laatste plaats van de fabriek is geweest  aan de Tukseweg  op de parkeerplaats  waar nu Lidll staat en daar voor stond er woning inrichting  D. De Vries. De fabriek heeft be-staan tot 1953  onder de naam  De Witte Raaf, er werden verschillende soorten siga-ren  gemaakt.

Stenenzoeker

De veld- en keistenen hebben honderden jaren voor de bewoners een bron van in-komsten gevormd. Zij werden voornamelijk gebruikt bij de aanleg van wegen en bij de oorlogsvoering in vroeger jaren. Er  wordt gesproken over de vrouwen, die bij de be- storming van Steenwijk  met stenen hun mannen te hulp snelden en de vijand ver- dreven. Een aannemelijker verklaring voor de naam Steenwijk is zeer zeker bron van de rijke steenvoorraad, die men vroeger in deze gebieden aantrof. Deze stenen hebben met alleen eeuwen geleden, maar tot zelfs bij de aanvang van de twintigste eeuw een rol gespeeld in het leven van de bevolking van Noordwest Overijssel, want zelfs in de jaren rand 1900 kwamen er nog mannen voor, die van beroep ,steenpunter" waren. Op de hoogste gebieden en vooral op de Steenwijker Kamp werden grote voorraden veld- en keistenen aangetroffen. Vele van deze stenen waren geschikt voor de bestra-ting van wegen en men trof er ook aan, die zo groot van omvang waren, dat de hune-bedbouwers jaloers hadden kunnen zijn. In de ijstijd zijn deze stenen naar onze gebie-den gespoeld en meestal tegen een heuvel-rug trof men de grootste hoeveelheden aan. Een voorbeeld van bestrating met deze keien is nu nog te zien aan de Onnadwars-straat waar men pas deze oude straat (Plein) heeft ondenkt met keien. Het delven van deze stenen heeft aan de arbei- dende bevolking van Steenwijk gedurende vele wintermaanden werk verschaft. In ver-schillende gesprekken met oude stad- en streekbewoners wordt hier nog uit eigen verklaring over verteld. In het laatst van de negentiende eeuw trok men er op uit met de schop en een puntijzer om met het zoge- naamde ,,steenpunten” een loon te verdie-nen. Zo’n puntijzer bestond uit een ijzeren stang van twee tot drie el lengte. Van boven was deze stang voorzien van een dubbel handvat en van onderen was een stalen punt, waarmee men in de grond boorde, om naar stenen te zoeken. Trof men een behoorlijke stenenlaag aan, dan werd de bovengrond verwijderd en werden de ste-nen blootgelegd en uitgegraven. De zware exemplaren liet men door middel van  kruit springen. Jaren geleden beschikte men niet over bakstenen; daarom werden de kleine veldstenen gebruikt voor het verharden van wegen en de grotere soorten deden dienst als fundering bij de bouw van huizen. Ook werden die grotere stenen naar Blokzijl vervoerd, waar ze bijzonder goed dienst konden doen bij de, versterking van de zeeweringen. Er zijn in Steenwijks omgeving nog vele namen, die aan dit steenzoeken  herinneren. Bijvoorbeeld de Steenakkers, de Steenwal (aan het Dolderkanaal) en de weg naar Tuk wordt ook nog wel Steendijk genoemd. Het zijn allemaal namen, die wij-zen op de, steenrijkdom  van dit gebied. Met zekerheid is het echter niet te zeggen. Ook het stadsarchief kan hieromtrent geen uitkomst geven, want dit dateert namelijk van omstreeks 1560. De namen zullen dus voor die tijd  al gekozen moeten zijn. Bij een grote brand in 1523 zijn alle schriftelijke be-scheiden vernietigd. Het steenpunten heeft men lange tijd uitgeoefend. Omstreeks het laatst van de negentiende eeuw woonde er aan de Woldpoort in Steenwijk een zekere Hetebrij, die nog handelde in veldkeien. De handelaar kocht grote massa's stenen op, die op de steenwal aan de Dolder een plaats vonden. Hier werden de stenen fijn geklopt en later verscheept naar elders voor wegenaanleg. Het stenen zoeken of beter gezegd stenen punten is lange tijd een bron van inkomen geweest voor de bevolking men kreeg als beloning tien cent per mand vol- en zelfs tot de aanvang van  de twintigste eeuw waren er mensen die met deze stenenhandel vooral in de winterperio-de hun brood verdienden.

Touwslager

In de negentiende eeuw speelde het touw vooral in deze agrarische omgeving een be-langrijke rol, want metaal was nog niet zo in gebruik.  De boer moest overal touw voor gebruiken: wanneer  het paard voor de wa-gen moest worden gespannen en o.a. in het hooiseizoen. En niet te vergeten de han-delsman en de fabrikant bij  het verpakken van allerlei producten.  Aan het begin van de twintigste eeuw waren er in Steenwijk een aantal lijnbanen of touwbanen, die een flinke productie hadden. Er was afname ge-noeg en zoals eens Michiel Adriaansz. de Ruyter aan het wiel stond te draaien, waren ook de Steenwijkers in actie  om touw te vervaardigen. De onderpaden langs de oude stadswallen waren daarvoor uitnemend geschikt; o.a.de families Panhuis, Oost, Middelwijk, Lang-man (Zoon Lebbert verhuisde naar Nijkerk in 1893 en bedrijf is nog steeds actief  tot heden) Visscher en Van Dalen oefenden dit beroep uit. Door de mechanisatie kwam er steeds meer metaal in omloop en werd ook het paard verdrongen, zodat de touw-wever slechts weinig  paarde strengen en -leidsels meer behoefde te vervaardigen. Toch is een van deze deze lijnbanen nog steeds intact gebleven.  In de tijd, dat het nog rustig en stil was aan de Looijersgracht. Men kende nog geen motoren en de geleerden zich de hoofden nog niet pijnigden met het maken van atoombommen, werd daar een lijnbaan in gebruik gesteld. De dames waren nog steeds gekleed in wijde hoepelrokken en droomden nog niet van nylons. In dit oude bedrijf  werd weliswaar gewerkt onder de meest erbarmelijke omstandigheden, maar desondanks bloeide het ambacht van touwslaan, een handwerk, dat tot op de huidige dag in ere bleef. Hier aan de Looijersgracht aan de voet van de lindereuzen, die het brede water omzomen, lag de  lijn-baan van de familie Van Dalen, een bedrijf dat al door vijf generaties is gevoerd. De familie Van Dalen heeft dan ook zeer oude rechten in de gemeente Steenwijk. Op een dag in het jaar 1836 hield de vroedschap der stad zich ernstig bezig met de aanvraag van Hendrik van Dalen, burger van d' Olde Veste, die aan de Hogewal een touwslagerij wilde beginnen. Hij vroeg daarvoor grond in erfpacht en dit werd verleend met recht van opstal. Voorlopig konden de Van Dalens vooruit; eerst in het jaar 2036 zal de pacht verlengd moeten worden. Wij vragen ons nu al af: ,Wie zal dan eigenaar zijn van  specifieke oude lijnbaanbedrijf?" Wellicht ook wel een Van Dalen, zoals in de afgelopen jaren. De erfpacht rustte aanvankelijk op het stuk grond langs de stadsgracht  aan de Hogewal, achter de tegenwoordige R.K. pastorie, dus op het gedeelte van de wal tussen de Molen- en de Scholestraat. Het was echter noodzakelijk dat de lijnbaan werd verlegd en daarom ging de erfpacht over op het perceel aan de Looijersgracht op de zelfde waar het bedrijf  gevestigd was. Deze verhuizing geschiedde al in het jaar 1868. Het oude touwslagerswiel was toen belangrijk onderdeel van de installatie en het is ook nu nog steeds in gebruik.De touwslager kan hiermee, zo dan wordt gezegd, slaan, spinnen en twijnen. Het slaan van touw is het in elkaar draaien van enige aparte draden tot een dik touw. Zo worden dan de leidsels en strengen voor de boeren gemaakt. Ook kon men uit een grote pluk hennep of vlas touw spinnen en dit deed de heer Van Dalen nog in het jaar 1936, toen het honderdjarig bestaan van dit bedrijf werd gevierd. In de beginperiode werd het garen, waarvan het touw werd gemaakt, ook in Steenwijk gesponnen. Later werd van de grote fabrieken het eendraads-garen betrok- ken. Enkele van deze draden worden dan in elkaar getwijnd tot een sterk touw. Het twij-nen van touw gebeurt nog net eender als meer dan een eeuw geleden. Er is dus aan de stadswallen in Steenwijk een zeer oud bedrijf op gang gebleven en er is zo te zien weinig aan de methode veran-derd. Het grote wiel moest met de hand worden gedraaid; dit is met de komst van de elektriciteit gewijzigd en de motor nam het werk over. In Steenwijk zijn in de loop der jaren al deze touwbanen verdwenen, de  laatste was van de  familie Van Dalen tot 1966 heeft deze het bedrijf gehad aan de Looijersgracht en is toen verhuist naar  het industrieterrein om daar in 1985 geheel met de productie te stoppen. De onderde-len van de touwslagerij  stonden bij de gemeente  opgeslagen zoals het grote wiel en andere zaken  maar helaas  zijn daar ook al onderdelen weg,