Sanering
De boerderijtjes lagen droomverloren  Gedoken onder 't ruige rieten dak.  Libellen stoeiden bij de hagedoren, Eenvlierstruik bloeide bij de regenbak. Geen auto kwam 't gebied van rust verstoren,                     t Was onbereikbaar voor modern gemak.  Slechts af en toe was riemgeplas te horen: Een roeiboot, die het water overstak. De kleine boeren teelden hier hun koren. En vee, zoals vanzelf dit altijd sprak. Dit was hun taak, zij waren er geboren.    En kenden immers niets, dat hen ontbrak. De nieuwe tijd deed 't waterland ontsluiten;  Een brede autobaan werd aangelegd.  Verdwenen zijn de vonders en de schuiten,  Veel oude boerderijges zijn geslecht Hun eigenaars ontvingen heel wat duiten  En konden daarmee elders goed terecht  Een nieuwe flat met mooie, grote ruiten,  Veel stadsgerief, zoals was toegezegd. Die boertjes zwoegen niet meer op hun buiten,  Met koelkast en teevee gaat 't hun niet slecht;  Maar wie daarvoor zijn ogen niet wil sluiten,   Ziet, dat hij mist, waaraan hij was gehecht De tijd greep, met een vaart niet meer te stuiten,  Ook hem, die niet meer om den brode vecht.  Die zich, wat wandelend met zijn kornuiten, Vaak afvraagt: "Leeft, wie niet meer werkt, nog echt?"   Mej. G. De Boer, Blokzijl