Tijd Ik kijk op mijn horloge en schrik,     Als ik niet doorloop kom ik te  laat,  En dat is iets dat écht niet gaat, Voor me verschijnt de leraar's kwade blik. Wat is het jammer dat ik niet kan blijven staan,  Om te kijken naar de mensen die hier lopen,  En misschien hetzelfde als ik hopen; Dat de tijd niet zo snel zal gaan. Alsof een jager de mensen achterna gaat,  Lopen ze naar hun werk, Maar ze gaan voorbij aan die mooie berk,  Die daar aan de rand van het plantsoen staat Het huilend kind gaat hen niets aan,  Het leven glijdt langs hen heen, Ze hebben het alleen te leen, Hun leven is hun baan. Als ze uitgeput van hun werk thuis komen,  Hebben ze hoofdpijn en gaan gapen, Ze proberen dan te slapen, Maar ze kunnen alleen nog over zaken dromen. De tijd wordt aan de mens gegeven,  Om er van te genieten, Niet om het voorbij te laten schieten,  Als je dat doet, heb je geen leven. Maar ik moet nu verder gaan,  De tijd dringt, En in mijn hoofd zingt: "Ik kan jammer genoeg niet blijven staan." René v.d. Velde, Marijenkampen