© Albert
STEENWIEK

Uitgelicht: Het Steenwijker Diep 1632 - 1932

Nu het Steenwijker Diep sedert 1 januari dezes jaars in eigendom, beheer en onderhoud is overgegaan aan de provincie Overijssel; nu onze gemeente niet inteer de baten geniet van de tolheffing aan de ‘Wetering, maar ook niet meer voor de eindeloze beschoeiing van den Diepdijk -heeft te zorgen, waarvan de kosten de opbrengst van de tolheffing meermalen geheel verslonden; nu het bovendien juist drie honderd jaren is geleden dat dit vaarwater werd' gegraven — nu komt ‘het ons wel gepast voor, even terug te zien naar de jaren, die voorafgingen aan het tot stand komen van dit belangrijke werk en getuige waren van de groote veranderingen, die het in deze streken deed ontstaan. Steenwijk, dat vóór (dien tijd voor zijn bestaan in hoofdzaak was aangewezen op zijn bouwkamp, zijn meenthen, zijn steenvelden en veengronden, werd er door uit zijn isolement verlost, kon zijn vleugels breeder uitslaan en zich op handel, nijverheid en fabriekswezen toeleggen en mede genieten van de zegeningen, die de nieuwe tijd -allerwege bracht. Voor dat het Steenwijker Diep gegraven was, was onze oude, goede Aa het eenige gebrekkige verkeersmiddel te water, dat de gemeenschap met Holland en andere streken van ons land mogelijk maakte. Deze rivier, die in het oude landschap Drenthe ontspringt, en sedert wie weet hoeveel eeuwen langs onze stad stroomde, had toen een heel anderen loop dan in latere tijden. Aan den noordelijken hoek van de Varkenweide splitste ze zich in tweetakken: de één ging een eind zuidelijk en dan tusschen Verlaat en Zuid veen weer westelijk tot aan Halfweg; de noordelijke of hoofdtak liep door (het Verlaat en vandaar, vrijwel in dezelfde richting ais thans het Diep heeft, tot bijna aan Halfweg, waar hij zuidelijk omboog en een paar honderd meters landwaarts in zich weer met dien zuidelijken tak vereenigde bij het land dat de. Spijkerboor heet en thans nog.de sporen draagt van de , vroegere stroomingen en waar een sluis met tolheffing was. Verder liepen beide takken met breeder afmetingen en tallooze kronkelingen, die op oude landkaarten nog vrij duidelijk zijn aangewezen, westwaarts, om bij de Kikkerij in de Wetering te vallen en, verder naar Blankenham te vloeien, waar ze nabij het Kuipershuisje de zee bereikten. * * In dien tijd begon het vervenersbedrijf in deze streken zich sterk te ontwikkelen. Volgens oude overleveringen was 'het in het laatst der 13e eeuw of in het begin der 14e hier te lande achter Onna en Zuidveen en te Giethoorn begonnen — eerst met het steken van lange turf, het hoogveen, later met de ons meer bekende vervening, het maken van baggelaar- of sponturf. De nieuwe brandstof kwam in trek, het vervoer naar Holland en Friesland eischte betere waterwegen. Maar die waren er in dezen tijd, toen nóg geen baggermolens of andere -hulpmiddelen: bestonden, niet zoo gemakkelijk te krijgen. Alles moest niet schop en kruiwagens en menschenkracht -geschieden. Eerst werden ktekie vaarten gegraven, van Onna en Giethoorn uit naar de Langesloot, (Stouwe, Kremerij, Dwarssloot) om vandaar de Steenwijker Aa te bereiken. Een grooter verbetering was het maken van een' kanaal vanaf Muggenbeet zoo rechtstreeks naar de Zuiderzee. Waarschijnlijk werd dit werk door de belanghebbenden zelf verricht. Later werd op kosten van het Schoutambt van Steenwijk en de kerspelen Leeuwte en Kuindérdijk”, op de plaats waar thans Blokzijl ligt, een groote schutsluis -gebouwd, die den naam kreeg van Groote Zijl. De graaf van Aremberg, die in ,1548 tot Stadhouder van 'Friesland, Overijssel en Drenthe -werd benoemd én in 1578 bij Heiligerlee sneuvelde (ook de stichter van de Aremberger gracht en sluis) liet de Blokzijler haven graven, voor een groot deel op eigen kosten. Toen Diederik Sonoy, door de Staten des lands met een afdeeling Schanswerkers maar Blokzijl gezonden om Norritz bij het ontzet van Steenwijk behulpzaam te zijn, den 3 Januari 1581 te Blokzijl aankwam, liet deze de plaats als schans of vesting, inrichten. De naam Blokzijl schijnt al eerder bekend te zijn geweest en -staat vermoedelijk in verband met het bewaken en versterken van de sluis. Blokzijl beteekent: versterkte zijl, evenals versterkte gebouwen in dien tijd blokhuizen werden genoemd. Doch met die nieuwe vaart was Steenwijk nog niet geholpen. Wel was de gemeenschap met Hofland en andere deelen des lands beter geworden; maar de goederen, van Amsterdam komende of daarheen gaande, moesten nog te Blokzijl worden overgeladen. Want de Aa met haar talrijke kronkelingen vorderde een langen omweg en was door haar zandhoogten en „cruymten” in den zomer bij -lagen waterstand niet bevaarbaar. In 1571 was voor het uitgraven en verbeteren er van nog een bedrag van 350 goudguldens ten laste van! de stad geleend en 650 goudguldens bij wijze van omslag van de burgers gevorderd; doch de toestand bleef onbevredigend en -onvoldoende. Ook het vervoer der zware veldkeien, die tot versterking der zeedijken werden gebezigd, gaf moeilijkheden. Het schijnt, dat reeds in J 581 ernstige plannen werden, beraamd om tot een afdoende verbetering van het vaarwater te geraken. In dat jaar werd door den Magistraat in beginsel besloten, de slimste bochten en de lastigste zandplaten in de Aa te verwijderen, de aanzienlijke kosten, die daarmee gemoeid waren, te dragen ten deele door ’t Ambt Vollenhove en de Dreintsche carspelen, die daaraan grenzen, en indien de eigenaren der landen, waarvan stukken afgegraven moesten worden, tot medewerking bereid werden bevonden. Waarschijnlijk heeft het be;leg van 1580-’8I, ; of hebben de moeilijke jaren, die daarop volgden, het plan doen rusten. Ook kan het zijn, dat -men langzamer-hand tot het inzicht is gekomen, dat een radicale verbetering van de oude, bochtige Aa op te groote bezwaren stuitte. Om goed en duurzaam werk te verrichten, moest er een nieuw kanaal komen van de stad af naar de Wetering. Steenwijk was bezig zich uit de enge banden, der vesting los te maken en trachtte door handel en nijverheid nieuwe bronnen van welvaart te vinden. Reeds in 1601 had .het Stadsbestuur vergunning gegeven om op een der wallen een touwbaan aan te leggen, en later zouden leerlooierijen en tabaksfabrieken dien -naam van Steenwijk door het gansche land bekend maken. Het jaar 1626 bracht die oplossing. Op 26 Mei zijn „Burgemeesters, Schepenen en Raad, -sampt Meenthe en minder-Meenthe” op het Raadhuis vergaderd en werd besloten tot het graven van het Nieuwe Diep, de kosten te dekken door de opbrengst van het „vierste Stads-Vhene”, en verder 12.000 te leenen van het Gasthuis tegen een kleine rente, om zoo spoedig mogelijk af te lossen „en omtrent de verdere kosten nader te beraadslagen. Besloten werd tol te heffen, van geladen schiepen het volle bedrag, van ongeladen schepen de helft. Voor hen, die medehielpen aan ’t graven of afstaan van grond, naar evenredigheid minder dan het tarief. Van de stad af tot aan het Verlaat moest het kanaal geheel als nieuw worden gegraven. Vandaar werd de noordelijke tak van de Aa gevolgd en op voldoende breedte en diepte gebracht. Bij het verdere gedeelte naar de Wetering liet men de oude bochtige Aa links liggen en groef men door de landerijen, die grootendeels aan de stad behoorden. In 1630 verkreeg het Stadsbestuur van ’s Lands Staten octrooi tot tolheffing op het Diep. Maar het vaarwater was toen nog lang niet gereed. Dan 4 Juni 1631 werd nog aanbesteed het uitbaggeren van zandplaten „voor 12 ½ stuiver de bok vol”. Den 29 September 1632 was het zoo ver, dat de eerste kaag (vaartuig) het Diep kon opvaren. Op Sunt Marten daaraanvolgende Trad de eerste verpachting van tol en vischwater plaats. De tol werd gepacht door Wiebrand Jochems voor 1525 goudguldens, het vischwater door luitenant van Valkenstein voor 60,(goudguldens. Doch het vaarwater moést nog vele verbeteringen ondergaan, voor er een, beurtveer op Amsterdam ingesteld kon worden en overlading der goederen te Blokzijl niet neer noodig was. Zelfs in 1748 -moest het beurtschip van jan Thomas nog door de burgerij , door het ondiepe water worden getrokken om aan 'wal te komen. De bewoners van Muggenbeet en Scheerweide werden na de Voltooiing van hol werk vrijgesteld van het betalen van tol, wegens verleende hulp, in geld en arbeid, bij het graven der vaart. Het recht op die vrijstelling schijnt hun later evenwel meermalen te zijn betwist en -niet altijd in toepassing te zijn gebracht. Toen in 1748 eenige burgers van Steenwijk vervolgd werden wegens weigering om dieptol te betalen, voerden deze tot hun verdediging aan, dat den ingezetenen van Muggenbeet en Scheer-wolde, „bij resolutie van 11 (May 1738, vryheit van den dieptol was verleend, denwelken zijluyden voor hunne Personen en Goederen, af en aen varende door het nieuwe Diep van en naer onze stad, tot daer aen toe betaeld hadden.” De onwillige Steenwijkers eischten dezelfde vrijstelling; doch werden veroordeeld tot betaling en in de kosten. — !n latere jaren, bij een nieuwe regeling van den tol, naar den tonneninhoud der schepen, werden de bewoners van Muggenbeet en Scheerwolde opnieuw aangesproken tot betaling van tol, maar op vertoon van bestaande bewijsstukken bleven ze vrij — en dat is tot heden zoo gebleven. (Wordt vervolgd.)