Brief van de Keizer In de 14e eeuw is in en rond de vesting Steenwijk heel wat afgevochten. Door de Geldersen, de Friezen, de Zwollenaren. De Steenwijkers zelf waren ook niet mis. Steenwijk stond onder het toezicht van de bisschop van Utrecht, die zelf weer aangestuurd werd door keizer Karel V. Moedig.   Omdat een aanval van de Friezen moedig was afgeslagen, kreeg Steenwijk in 1523 van de bisschop van Utrecht het recht meer markten te organiseren.  De omringende dorpen zagen hun inkomsten verdwijnen en namen drastische maatregelen. Steenwijk werd bijna totaal verwoest. Het gezag over Steenwijk werd toegewezen aan de Stadhouder van Friesland en Overijssel.  Georg Schenck  De Stadhouder Georg Schenck van Toutenburg (1480-1540) besliste in overleg met Karel V, dat Steenwijk door de inlijving bij Friesland het recht verloor op de Steenwijker Kamp en de helft van inkomsten uit de handel. Een soort belasting aan de Keizer en de Stadhouder.  Brief In 1534 werd Steenwijk aan Overijssel overgedragen. Dat had gevolgen voor de stad. Oude schulden moesten betaald worden. De Keizer gaf Steenwijk daarom de Kamp en andere privileges weer terug. Dat staat in de akte uit 1534 van Karel V.  Deze belangrijke akte is zorgvuldig bewaard gebleven en kan nog steeds bekeken worden.  Een verkorte weergave uit de akte:  'Karel, keizer enz. geeft, daar de stad door hare hereniging met Overijssel wordt verplicht tot betaling van hare oude schulden aan dit landschap, aan Steenwijk, tot onderhoud harer vestingwerken, terug de inkomsten van de Zuidermeenthe en van de landerijen, de stadsweren en het Loo, welke inkomsten in 1523 waren bestemd ten behoeve van de keizer en tot onderhoud van het blokhuis binnen de stad, behoudende de keizer voor zich en zijne nakomelingen de eveneens in 1523 van de stadsinkomsten afgescheiden halve waag en de turfmanden en bovendien jaarlijks twintig wagens turf ten behoeve van onze officier van Steenwijk.'   Besluit van Willem van Oranje Tijdens de 80-jarige oorlog (1568-1648) was een gebied het ene moment in handen van Willem van Oranje, het andere moment was Spanje weer aan de macht.  Dat gebeurde ook in de kop van Overijssel.  Voor Steenwijk en Oldemarkt had dat in 1581 grote gevolgen.  Weekmarkt in Oldemarkt.  Met schepen, wagens, karren en kruiwagens werd de handelswaar aangevoerd. Boter, groenten, fruit, vis, eieren, van alles was er te koop. Met Oldemarkt ging het rond 1580  meer dan goed.   Tachtigjarige oorlog. De oorlog betekende het begin van het einde. Ook al speelde het begin van de oorlog zich vooral in Holland en Zeeland af, de gevolgen voor de kop van Overijssel waren goed merkbaar. De handel stagneerde door gevechtshandelingen op de Zuiderzee. Rennenberg in Steenwijk.  In de winter van 1581 werd Steenwijk belegerd door Rennenberg, die in dienst was van de Spanjaarden. De belegering duurde door het moedige optreden van Van der Kornput en zijn leger maar even, maar de gevolgen waren rampzalig.  Honderden soldaten sneuvelden, honderden burgers stierven door het uitbreken van de pest. Beloning. Toen Willem van Oranje kennis nam van de tragische gevolgen voor het dappere Steenwijk nam hij een besluit. De markt van Oldemarkt werd op zijn gezag verplaatst naar Steenwijk. Dat zou de Steenwijkers er weer bovenop helpen. In Oldemarkt zal men niet blij met dit besluit geweest zijn. Een jaar later werd Steenwijk opnieuw door de Spanjaarden belegerd. Zou Oldemarkt hierbij een handje geholpen hebben?    Burgerboek Een burger was iemand die de eed op het stadsrecht had afgelegd.  Dit betekende dat hij werd ingeschreven in het Burgerboek en mocht delen in de voorrechten die zijn stad in de Middeleeuwen door stadsrechten had verkregen. Deze voorrechten waren bijvoorbeeld vrijstelling van tolgelden, toegang tot het lidmaatschap van een ambachtsgilde of berechting door de stedelijke rechtbank of het vee laten weiden op de gemeenschappelijke stadsweide (de Meenthe).  Nieuwkomers. Een vreemdeling werd niet zomaar burger. Je moest genoeg geld bezitten om je gezin te onderhouden en de belastingen te betalen. Je moest kunnen aantonen waar je eerder had gewoond, welk beroep je uitoefende en welke godsdienst je had.  Borg werd je goedgekeurd door de Magistraat, dan moest je borggeld betalen zodat je niet snel voor bijstand zou komen. En je moest de eed van trouw aan de stad afleggen.  Je verloor je burgerschap en je borg als je langer dan een jaar en een dag buiten de stad gewoond had.  Grootburgers en Kleinburgers. Iedereen die in Steenwijk werd geboren, was automatisch grootburger. Zij hadden meer rechten. Bijvoorbeeld om in het stadsbestuur te worden gekozen.  Kleinburgers waren de nieuwkomers. Soms werden zij toch grootburgers, bijvoorbeeld als de stad de nieuwe bewoners hard nodig had.   Bodebus In 1813 werd de inhoud van de stadszilverkast verkocht. De meeste voorwerpen werden toen omgesmolten.  Slechts de uit de uit 1630 stammende ‘Bodebus’, het onderscheidingsteken van de stadsbode, bleef bewaard.    Burgemeesterszetel  Deze fraai bewerkte burgemeesterszetel werd in 1919 vervaardigd in de meubelmakerij van de gebroeders Monsieur aan de Jan Hendrik Tromp Meestersstraat in Steenwijk. Oorspronkelijk werd deze stoel vergezeld van maar liefst veertien bijbehorende fauteuils: voor de twee wethouders, de elf gemeenteraadsleden en de gemeentesecretaris.  Helaas zijn die hier niet meer aanwezig. Alle waren gemaakt van savoyaans (uit Zuidoost Frankrijk) eikenhout.  De burgemeesters stoel is aan de boven-zijde voorzien van het stadswapen in de vorm van een prachtig gebeeldhouwd opzetstuk met een afbeelding van Sint Clemens met de bisschopsstaf en een bekroond schild met daarop het Steenwijker anker.  Dit is gemaakt door Hendrik Middelwijk, beeldhouwer en houtsnijder bij de meubelmakerij van Monsieur. De raadszetels maakten deel uit van het nieuwe interieur van Rams Woerthe, dat op 28 maart 1919 officieel als gemeentehuis in gebruik was genomen.  Tot aan de gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel in 1973, waarbij Steenwijkerwold en Steenwijk werden samengevoegd, bleef het meubilair in gebruik.  In de nieuwe gemeente Steenwijk paste het oude Steenwijker stadswapen niet meer.  De burgemeesterstoel en de andere stoelen werden vervangen en voorlopig opgeslagen op de stadswerf. Later zijn ze op mysterieuze wijze verkocht en kwamen ze in bezit van een antiekhandelaar, die de 'gewone' stoelen weer doorverkocht, maar de fraaie burgemeesterszetel zelf behield. In 2003 kreeg de gemeente Steenwijkerland de mogelijkheid de stoel weer te verwerven. Na een grondige restauratie is het nu weer een pronkstuk in het gebouw waar hij vele jaren werd gebruikt: In de stijlkamer van Rams Woerthe.    Gedicht van Dirk Ram    Gedicht te vinden van de omroeper Dirk de Ram over de volmacht Clarenberg, die zijn gelag en boeten niet had betaald. Hieronder een transscriptie er van.  'Dees boetten die hier onder staan                         Zonder te zeggen goede nagt   En zelfs te hebben overdagt Een burgemeester van de raad En mede lid der magistraad Gaad zonder spreken van 't stadhuijs Sluijp stanten na zijn eijgen huijs Niet eens betaald zijn eijgen schuld Ses stuijvers hebben wij geduld Het spijt mijn van die goede man Dat hij niet meerder drinken kan Ik drink voor hem een glas of vier Een ander seeven nae de zwier Wij hebbent al daer opgezet De man is ziek hij moet nae bet  Deeze aan Clarenberg geintineert Zijn vrouw gesproken en worde verveert Hij lag te bed zijn hooft deed zeer Zijn vrouw ging wegh en sprak niet meer Dit zeg en luijg ik als ik daer kwam Dat dit de waerheijt is Dirk de Ram'                       Keurboek van 1579 Aan het eind van de zestiende eeuw was het rechtsysteem in Steenwijk een rommeltje.  De burgers klaagden steen en been over willekeur van de  schepenen bij het rechtspreken en ook de bestuurders zelf waren ontevreden. Wetgeving en rechtspraak waren in die tijd veelal een lokale zaak, waardoor de kwaliteit nogal eens te wensen over liet. Zo ook dus in Steenwijk. De ontevredenheid stamde waarschijnlijk al van voor 1544.  In dat jaar begon Mr. Henricus Boeghel namelijk aan een nieuw stadsboek.  Hij werkte er jaren aan, maar zou het nooit afronden. In 1557 werd hij, waarschijnlijk op staan-de voet, ontslagen. Daarna kwam het werk aan de Steenwijkse regelgeving jaren lang stil te liggen. Elders in de rubriek 'Schatten van het archief' kunt u meer informatie vinden over het stadsboek van Boeghel. (Gemeentelijk archief). Nieuw wetboek.  In 1576 besloot het stadsbestuur dat het nu toch echt hoog tijd werd voor een nieuw wetboek. Mr. Zigher ter Stege kreeg de opdracht om een nieuw keurboek op te stellen.  Ter Steghe was geboren in 1535 als zoon van Gheert ter Stege, de burgemeester van Steen-wijk. In 1557 werd hij benoemd als stadsecretaris, als opvolger van Henricus Boeghel.  Dit ambt zou hij tot aan zijn dood in 1605 beoefenen. De tien jaar dat Steenwijk onder Spaans bestuur viel (1582-1592) bracht Ter Steghe door in Hasselt, waar hij hetzelfde werk deed.  Na Steenwijks ontzet kwam hij terug. Ter Stege schreef een strafwetboek met 26 hoofdstuk-ken. Het was de eerste keer dat de verschillende verordeningen ('keuren') per hoofdstuk geordend werden. Er werd per overtreding een keuze gegeven uit strafmaten al naar gelang de ernst van de overtreding. Dit moest de willekeur bij het rechtspreken tegengaan.  Het keurboek van Ter Stege staat bekend als een voortreffelijk wetboek voor zijn tijd, zie de afbeelding linksonder (klik op de afbeelding voor een groter formaat).  Het werd ingevoerd in 1579.  Ter Steghe was ook begonnen aan een burgerlijk wetboek, maar dat kon niet ingevoerd worden door de oorlog met Spanje.  In 1609 is het wetboek in herziene vorm toch nog ingevoerd. Het keurboek van Ter Steghe bevindt zich in ons archief, maar er zijn ook verschillende uitgaven en publicaties van en over het boek.    Monsterrollen Rond 1600 werd door Prins Maurits een hervorming doorgevoerd van het leger.  Hij liet zijn mannen ook in rustiger perioden oefenen zonder echt te vechten, zodat automatismen ontstonden en de manschappen geen tijd hadden om op rooftocht te gaan. Deze oefensessies werden door de bevolking met verbazing bekeken, maar men vond het ook vermakelijk. Uiteindelijk wierp al dat evening wel zijn vruchten af. In die tijd bestond het leger uit huurlingen.  Monsterrollen zijn lijsten met de namen van soldaten die dienst namen of aanmonsterden in dit zogeheten Staatse Leger. Naast deze soldaten zijn vaak ook een arts, geestelijke, schrijver, trompetter en tamboer in de administratie te vinden.  Vaak kregen ze een contract voor een seizoen. Een seizoen begon in het voorjaar en eindigde in het najaar. In de winter werd er over het algemeen niet gevochten. De weersomstandigheden lieten dat vaak niet toe.  Ook in Steenwijk waren soldaten gelegerd. De Steenwijkse monsterrollen beginnen in 1644 en lopen door tot 1686. Voor mensen die zich bezighouden stamboomonderzoek  kunnen de rollen interessant zijn, aangezien soms de plaats van herkomst van de soldaat vermeld staat. Er komen bijvoorbeeld ook namen van soldaten uit Oost-Europa in voor.  Omdat de monsterrollen voor één seizoen werden opgemaakt, komt het regelmatig voor dat de naam van een militair meerdere malen wordt vermeld.  Ook voor de Monsterrollen geldt dat het aanbeveling verdient om verschillende schrijfwijzen te proberen bij het onderzoek in deze bron.    Stadsboek 1544 Steenwijk Een Stadsboek gaat over wetten, rechtspraak en regelgeving. Iedere stad maakte haar eigen bepalingen, totdat landelijk geldend recht werd ingevoerd.  Stadssecretaris.  Aan dit Stadsboek is tussen 1544 en 1557 gewerkt door de Stadssecretaris mr. Henricus Boeghel. In 1557 werd Boeghel (waarschijnlijk) op staande voet ontslagen en opgevolgd door Mr. Zicher ter Steghe die pas in 1576 een geheel nieuw Stadsboek ging schrijven.  Opnieuw begonnen. Toen Henricus Boeghel met zijn klus begon, waren de oude Steenwijker stadsregels volgens de Magistraat (het stadsbestuur) niet meer toereikend voor de moderne 16e eeuwse bevolking. Een andere lezing is dat het hele stadsarchief in 1523 bij een inval van de Geldersen in vlammen is opgegaan.  Hoe dan ook:  Boeghel is in 1544 helemaal opnieuw begonnen te tekeningen. Boeghel had een handschrift, waar we nu nog steeds van kunnen genieten. Prachtige, in gotische stijl getekende hoofden, voorzien van de mooiste beginletters. Tussen die prachtige letters staan tekeningen.  Zijn het spotprentjes? Zelfportretten? Zat Boeghel zich te vervelen tijdens de vergaderingen? Of heeft zijn opvolger Zicher ter Steghe huisgehouden in het Stadboek?    Stadsrechten    Het oudste stuk in het gemeentearchief van Steenwijkerland is een charter van meer dan 650 jaar oud dat Vollenhove stadsrecht geeft. Het stadsrecht is in 1354 door de bisschop van Utrecht, Jan van Arkel, aan Vollenhove gegund.  Stadsrecht. In de Middeleeuwen was het voor gebieden met veel handel en nijverheid noodzakelijk een eigen rechtspraak te hebben. Dit was nodig omdat men niet uit de voeten kon met de rechtspraak van het platteland. Na de 80-jarige oorlog (1568-1648) kwam met de stichting van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een einde aan de behoefte een apart lokaal stadsrechtsysteem te hebben.  Drie steden. Drie echte steden heeft de gemeente Steenwijkerland binnen haar grenzen.  De oudste is Steenwijk, Vollenhove de middelste, Blokzijl het nakomertje.  Blokzijl is wat betreft het verkrijgen van het stadsrecht een vreemde en unieke eend in de bijt. In het rampjaar 1672 kende stadhouder Willem III Blokzijl als enige plaats in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het stadsrecht toe.  Blokzijl verdiende het.  De Blokzijligers hadden samen met de Friezen de bisschop van Münster, Bernhard van Galen (alias Bommen Berend), en z'n  troepen verjaagd. Jammer genoeg waren de privileges van korte duur.    Heilige Sint Adelbertus In de Grote Kerk staat een 74 cm hoog eikenhouten beeldje van de heilige Sint Adelbertus. Ooit, in 1570, werd dit beeld door pastoor J. Roberink uit Steenwijk geschonken aan de eerste aartsbisschop van Utrecht, Frederik Schenck van Toutenburg. Dat gebeurde dus in de tijd dat nog de naweeën gevoeld werden van de Beeldenstorm.  Mogelijk heeft pastoor Roberink door deze schenking het beeldje voor vernieling willen behoeden. Het is voor onbepaalde tijd in bruikleen afgestaan door het Rijksmuseum. Het Catharijne Convent in Utrecht. De maker van het beeld is onbekend, maar wie was deze Adelbertus?  Adelbertus was een uit Northumberland (Engeland) afkomstige diaken. Sinds 1981 bevindt zich in het zuidkoor. Die samen met Willibrord, in 690 vanuit Ierland het Kanaal zou zijn overgestoken om in onze streken te prediken en wonderen te verrichten. Hij zou een zeer nederig persoon zijn geweest. Na zijn dood op 25 juni 740 werd hij door de dorpelingen van Egmond begraven en werd er boven zijn graf een kapelletje gebouwd. Na zijn dood gebeurden er vele wonderen, zodat er veel pelgrims naar zijn graf kwamen. Nog altijd wordt het gebeente van Adelbertus, de schutspatroon van Egmond, vereerd in de kapel van het benedictijner klooster in Egmond-Binnen.  Daar, onder het altaar, ligt sinds 1984 de zorgvuldig uit minuscule brok stukjes gereconstrueerde schedel van Adelbertus.  Deze schedel, waarvan de exacte ouderdom is vastgesteld, werd toen op feestelijke wijze overgebracht van de Adelbertusakker naar de abdijkerk.  Adelbertus wordt in andere bronnen meestal afgebeeld als aartsdiaken met een geopend boek en een lelie in zijn hand. Omdat hij van koninklijke afkomst zou zijn, ziet men soms aan zijn voeten een kroon en een scepter.    Steenwijker Almanak We zien hier drie verschillende uitvoeringen van de bekende Steenwijker Almanak.  De almanak was één van de oudste middelen om de mens een beetje houvast te geven in de dagelijkse gang van zaken en in de jaarlijkse cyclus van gebeurtenissen in het leven op het platteland.  Het was een boekje met een kalender van dagen, weken en maanden, aangevuld met diverse gegevens zoals de stand van zon en maan, de feest-, gedenk- en marktdagen, tijden van eb en vloed, soms ook weersvoorspellingen en astrologische gegevens.  Het woord 'almanak' werd voor het eerst in 1266 door Roger Bacon gebruikt in zijn verhandeling Opus Maius. Het komt van het Arabische woord 'al manakh', waarmee het klimaat of de seizoenen worden bedoeld. De eerste gedrukte almanakken, goedkoper dan de geschreven exemplaren en dus voor een groter publiek bereikbaar, verschenen in 1460. De eerste Nederlandse almanak was de schaapherderskalender die in 1494 werd uitgebracht.  De nog steeds uitgegeven Enkhuizer Almanak kwam voor het eerst in 1632 op de markt.  In 1664 begon Obbe Spanjaard met het uitgeven van de Nieuwe Cronijk, de Steenwijker almanak. Hoe dit boekje er precies heeft uitgezien is niet bekend. Mogelijk heeft er op de voorzijde al een afbeelding gestaan van de stad Steenwijk.  Op de laatste ons bekende Steenwijker Almanak uit 1938 staat dat het de 273ste jaargang is. Het uiterlijk is in de loop der jaren wel enigszins gewijzigd, zowel wat kleur als wat formaat betreft. In 1768 spreekt men van de Steenwijcker Schrijf-Almanach van Obbe Spanjaard, boekdrukker, met een privilege voor vijftien jaar. Het is een ingenaaid boekje van 13 bij 8 centimeter, met na elke halve maand één of twee blanco pagina's.  Hierop konden dan allerlei aantekeningen worden gemaakt. Het schutblad was bedrukt met een rechthoekige afbeelding van de stad Steenwijk, maar nog zonder molens aan beide zijden; het omslag was onbedrukt.  Het was een maandkalender met weersvoorspellingen, vakanties in Steenwijk en in de provincie Overijssel. We lezen onder meer: De besloten tijd van de Jagt 31 Januari tot den  17 September gedurende welke tijd de honden ten plattenlande moeten gaan met bungels.  Even  verder lezen we: Volle maen dingsdag den 2/3 ten 9 uren 51 min in de Leeuw / met donker weer. Hout en turf zal nog goede waar wesen / hij is gelukkig die er nog wel van voorzien is. En tenslotte: De Vacantie van den Bouw zal nu Jaarlijks beginnen op den 23 July en eindigen den 12 Septem. Beide incluis.  Rond het jaar 1800 is er de Nieuwe Steenwijcker Schrijf-Calender / comptoir Almanach, eveneens uitgegeven door Obbe Spanjaard, boekdrukker aan de  Markt te Steenwijk.  Deze heeft, met een afbeelding van de stad in een geschulpt kader, een formaat van 15,5 bij 10 centimeter. Deze almanak kende na elke bedrukte pagina een blanco bladzijde voor aantekeningen.  Vanaf 1801 bevatte de Almanak ook Chronyxken, een overzicht van geschiedkundige feiten beginnend met het jaar 1791. Verder vermeldde hij onder meer de Order op het varen der Schepen  en Schuiten van van Steenwijk en de Hoveniersalmanak. een overzicht voor het  zaaien en planten.  Omstreeks 1850 drukte J. Spanjaard de 10 bij 9 centimeter grote  Steenwijker  Almanak, zo'n tien jaar later voortgezet door H. Spanjaard, beide boekdrukkers te Steenwijk. Het waren kleine vrijwel vierkante ingenaaide dunne boekjes zonder tekst op de voorpagina.  Vanaf 1890 werd de voorpagina bedrukt met bijvoorbeeld de tekst: STEENWIJKER ALMANAK voor het jaar 1890. Ook werd het jaargangnummer op de voorzijde vermeld evenals de naam van de drukker. Deze uitvoering bleef tot omstreeks 1920 te koop. In 1899 nam R.H. Bijkerk de boekdrukkerij en binderij over van Spanjaard.  Hij ging in het vervolg de Steenwijker Almanakken drukken in een pand in de Weemstraat.  In de loop der jaren kwamen er steeds meer kleine verhaaltjes en vooral ook mopjes in voor. In de almanak van 1923 lezen we: Meester op school zegt tegen de kinderen: "Schrijven jullie allemaal een spreekwoord op de lei". De kinderen schrijven nu het een na het ander een spreekwoord op, behalve de kleine Wim die, goed kunnende tekenen, meesters portret zit na te tekenen in de hoek van de lei. De meester komt nu de verschillende spreekwoorden lezen, komt ook bij Wim en zegt: "Wim, heb jij geen spreekwoord opgeschreven?". Wim antwoordt: "Ja meester". Meester vraagt: "Waar staat het dan Wim?". Zegt Wim, op het portret wijzend: "Hier, meester. Een ongeluk zit in een klein hoekje".  Later werd het formaat van de Almanak wat groter en werden de omslagen ook in kleur uitgebracht. De voorzijde werd bedrukt met een afbeelding van een open stadsgezicht zonder wallen en grachten. De geschulpte kopergravure laat twee kerken zien met enkele wandelaars en een tweetal molens. De Steenwijker Almanak van 1923 had een formaat van 13,5 bij 10,5 centimeter. Ook bevatte de almanak steeds vaker reclameadvertenties, terwijl de weersvoorspellingen verdwenen.  Verder treffen we een overzicht aan van vreemde munten, vlaktematen, inhoudsmaten (bijvoorbeeld: 1 schepel = 10 liter), gewichten (bijvoorbeeld: 1 centenaar = 100 kilogram), nationale kentekenplaten voor automobilisten, posttarieven en meer van dergelijke gegevens. Wist u trouwens dat alle autokentekens in Overijssel met de letter E begonnen?  Aan het begin van de twintigste eeuw verscheen er, naast de Steenwijker Almanak, het jaarboekje voor Steenwijk. uitgegeven door G. Ho- vens Gréve in de Onnastraat.  Na de Tweede Wereldoorlog nam dit jaarboekje de functie van de Steenwijker Almanak over. Het verschijnt tot op heden, zij het na de gemeentelijke herindeling in 1973, onder de naam Kijk op Steenwijk. Na het samengaan van de drie gemeenten in de 'Kop' van Overijssel is het onder de titel: Kijk op de Kop als gemeentegids voor Steenwijkerland voortgezet.    Kanonskogels Bij binnenkomst in het Stadsmuseum wordt meteen de aandacht getrokken door enkele loodzware kanonskogels die langs de linkerplint liggen uitgestald.  De meeste hiervan zijn in het recente verleden in de stadswallen aangetroffen; waar precies en op welke plaats is niet altijd bekend. Wel is bekend dat ze van buitenaf op de stad zijn afgevuurd, hetzij Georges de Lalaing, beter bekend als de graaf van Rennenberg, in 1581-1582 Of tijdens het beleg en de verovering van Steenwijk in 1592 door prins Maurits en de Friese stadhouder Willem Lodewijk.  Deze kogels werden afgevuurd door kanonnen waarvan er vele soorten bestonden.  Men onderscheide vier hoofdtypen: het veldgeschut, het valkonet, de hele en de halve kartouw. De laatste twee werden ook wel kanon genoemd.  De kanonskogels waren zware gietijzeren ballen in verschillende soorten en maten, waarvan er alleen al gedurende het beleg van Steenwijk in 1592 ongeveer 29.000 zijn afgevuurd.  De zwaarste in het Stadsmuseum aanwezige kogels wegen maar liefst 17V2 kilogram!  Bij een gevecht op korte afstand vulde men de kanonlopen meestal met musketkogels of malen schroot. Zo nu en dan maakte men de kogel gloeiend heet om het doel in brand te kunnen schieten.  Zowel in 1581-1582 als in 1592 is dit ook bij de belegering van Steenwijk gebeurd.  Bij het laden van het kanon bracht men in zulke gevallen een graszode aan tussen de afvuurlading en de gloeiende kogel om voortijdig afvuren te voorkomen.  Bij een belegering werden de kanonnen op opgeworpen verhogingen van aarde, 'katten' genaamd, geplaatst.  Een kanon werd bediend door twee konstabels of twee kanonniers die daarvoor een klein examen hadden afgelegd. Er was namelijk 'buskruit' en het was daar- om noodzakelijk om enige kennis te hebben van de scheikundige samenstelling er van.  Uiteraard moest men vooral vaardig zijn in het richten, laden en vuren!    De legaten van Van Swinderen en Tuttel Een rijke Steenwijker laat (een deel van) zijn geld na aan behoeftige stadsgenoten. Twee ervan herinneren we ons nog steeds omdat naar allebei een straat vernoemd is. Harmen van Swinderen en Hillebrand Tuttel. Van Swinderen Kanunnik Van Swinderen stierf waarschijnlijk in 1560. Hij liet twee huizen na (bij de Kleine Kerk) en verschillende jaarlijkse rentes.  Aanvankelijk was het zijn doel financiële steun te bieden aan zijn eigen verarmde familiele-den, maar ook andere burgers mochten mee profiteren. In de huizen die hij naliet mochten acht arme burgers gratis wonen en ze ontvingen een uitkering.  Het moesten wel bejaarde, deugdzame geboren Steenwijkers zijn, die dagelijks God zouden danken voor de welvaart die hen ten deel was gevallen. Van Swinderen had de schepenen van de stad tot 'overste patronen' van zijn stichting gemaakt. Het legaat werd door hen niet alleen gebruikt om de burgers in de huizen van Van Swinderen te onderhouden, maar ook om de vroedvrouwen van de stad te betalen en het onderhoud van de in 1627 gestichte school te financieren. Nog lange tijd mochten burgers zich bij de gemeente opgeven voor een deel van het geldbedrag. Pas in 1979 waren er geen gegadigden meer en besloot de gemeenteraad ermee te stoppen.  De burgers van Steenwijk hebben zo meer dan vier eeuwen kunnen profiteren van de nalatenschap van Van Swinderen.  Het Swindermannegien boven het poortje dat toegang gaf tot de inmiddels afgebroken huizen en de naar hem genoemde straat herinneren nog aan hem.  Tuttel De advocaat, diaken en latere stadssecretaris Hillebrand Tuttel liet in 1774 40.000 gulden na in een 'eeuwigdurend legaat'. Het was bedoeld voor 'oude bouwlieden, boeren en voerlieden', geboren grootburgers van Steenwijk.  Zij kregen ieder een deel van de rente van het bedrag, dat uitbetaald werd op de geboortedag van Tuttel (8 juli) en met de kerst. Tuttel wilde graag dat zijn broers Meinard en Arend het legaat zouden beheren onder toezicht van het stadsbestuur. Het legaat bestaat nog steeds en wordt nu beheerd door de diaconie van de Protestantse Gemeente Steenwijk. De rekeningen en uitgaven over 1804 van het Tuttelfonds zijn gelukkig nog steeds in het archief  van de gemeente Steenwijkerland aanwezig en te bekijken. Ze zijn te vinden zoals ze oorspronkelijk werden bewaard: opgevouwen en voorzien van een strik, opgeborgen in een leeg sigarenkistje.     Lakstempel Steenwijk Zoals elke stad in Nederland kende ook Steenwijk stadszegels die in het verleden gebruikt werden om oorkonden, contracten en akten vanwege het stadsbestuur te legitimeren.  Een zegel werd gemaakt door boven de akte druppelsgewijs wat vaste zegellak te laten smelten en daarin tijdens de stolling het lakstempel te drukken.  Het zegel van Steenwijk diende onder andere ter bekrachtiging van door het stadsbestuur opgestelde akten.  De oudst bekende zegels van Steenwijk dateren uit 1417 en 1425, beide met een doorsnede van 43 mmo. Van veel oorkonden zijn de originelen verloren gegaan.  Toch weet men soms van de inhoud, omdat men gelukkig nog in het bezit is van het concept of een afschrift. Op die manier is ook de brief van bisschop Johan van Diest, waarin in 1327 de stadsrechten van Steenwijk nog eens werden bevestigd, bewaard gebleven.  Vaak bevinden die concepten of afschriften zich in cartularia, waarin de oorkonden van een kerk of klooster werden gekopieerd dat is ook het geval met het voor Steenwijk zeer belang-rijke 'Cartularium van het kapittel van de Sint Clemenskerk', dat in 1501 werd opgesteld door de kanunnik Herman ten Broecke. Steenwijk kende onder andere een grootzegel en een kleinzegel.  We mogen ons gelukkig prijzen weer in het bezit te zijn van het originele lakstempel van het kleinzegel. Lang geleden verdween het hierbij afgebeelde lakstempel op mysterieuze wijze uit het gemeentehuis. Maar gelukkig bevindt het zich nu in het Stadsmuseum aan de Markt.  Het stempel is gemaakt van hout met een koperen ring. Het lakzegel vertoont Sint Clemens als paus van Rome met een schild en een anker. In doorsnede is het 35 mmo. We zien hier een banderolle, waarop de tekst: 'S(igilum) OPPIDI STEENWIC', het zegel van de stad Steenwijk. Na de Bataafse Revolutie in 1795 en bij de invoering in 1798 van de Staatsregeling, de voorloper van onze grondwet, kwam het gebruik van het lakzegel nog uiterst zelden voor.  Meer informatie over dit onderwerp vindt u in: Gevers, A. J. Het wapen van Steenwijk, te vinden in: Posterna, J. P. J. Tussen graaf en maire, Bijdragen tot de geschiedenis van Steenwijk en omstreken voornamelijk in de 16 e en 17e eeuw, Kampen, 1987, p. 70-8    Sercke Boeck van de Grote Kerk in Steenwijk Vroeger werden rijke inwoners in de kerk begraven. In het fraaie 18e eeuwse Sercke Boeck van de Grote Kerk van Steenwijk staan afbeeldingen van grafzerken van mensen die in die kerk begraven waren, met de namen die bij die zerken hoorden. De afbeeldingen bevatten vaak familiewapens of zgn. huismerken.  De scans hebben we al eerder online geplaatst. Nu is, met dank aan onze vrijwilliger Auke Vlagsma, ook de inhoud voor iedereen leesbaar en doorzoekbaar. Auke heeft het hele Sercke Boeck getranscribeerd. Dat wil zeggen: hij heeft het oude handschrift omgezet naar een voor iedereen leesbare tekst.  Zowel de afbeeldingen als de teksten zijn hier te raadplegen: http://www.archieven.nl/mi/1648/?mizig=205    In tijden van cholera Het voorkomen en bestrijden van epidemieën, zoals de Mexicaanse griep, is al eeuwen een overheidstaak.  In de 19e eeuw had de overheid bijvoorbeeld haar handen vol aan het bestrijden van besmettelijke ziektes als pokken, tyfus en tuberculose, die zich razendsnel konden verspreiden in de steeds dichter bevolkt rakende steden.  Tot de jaren dertig van de negentiende eeuw was Nederland gevrijwaard gebleven van de cholera, een zeer besmettelijke darmziekte.  Men besefte dat het slechts een kwestie van tijd zou zijn voor ook Nederland ten prooi zou vallen aan de cholera, die ook wel 'Aziatische braakloop' genoemd werd.  In 1831 besloot het kabinet daarom als voorzorgsmaatregel alle gemeenten een informatieboekje over cholera te sturen en richtlijnen op te stellen, zodat men zou weten wat te doen als de cholera ook Nederland zou bereiken.  In het archief van Kuinre bevinden zich nog enkele van deze boekjes, zie onderstaande afbeelding. In de boekjes staan tips die wij nog steeds zouden onderschrijven: was je handen, lucht de ziekenkamers, trek  schone kleding aan en doe aan lichaamsbeweging.  Andere adviezen zijn nu niet meer zo serieus te nemen: bezoek geen zieken zonder ontbeten te hebben,ontbijt eventueel met sterke drank en verander vooral niet van gewoon-    Afscheids brief Joods meisje 1939 Dit ontroerende gedicht is in 1939 geschreven door een joods meisje bij haar afscheid van Fredeshiem. Een groep van 39 uit Duitsland afkomstige joodse kinderen tussen de ca. 6 en 18 jaar verbleven tussen maart en juli 1939 in het Doopsgezinde broederschapshuis.  Dankzij de heer Hoekema uit Haarlem weten we dat het gedicht waarschijnlijk is geschreven door Ursula Pintus. De ouders van de kinderen waren of al overleden of in Duitsland achtergebleven.  De kinderen maakten deel uit van de stroom joodse vluchtelingen die, nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, Duitsland ontvluchtten.  In het gastenboek van Fredeshiem staan de namen van deze kinderen.  Van slechts een paar kinderen is bekend wat daarna met ze is gebeurd. Van een aantal weten we dat ze, door emigratie of door onder te duiken, de oorlog hebben weten te overleven. Enkele kinderen zijn uiteindelijk weer naar hun ouders in Duitsland terugkeren.  Het gedicht heeft nog jaren in het kerkje bij Fredeshiem gehangen en is nu opgenomen in het archief van Fredeshiem.   Herinneringspenning geslagen 12 april 1945 Ter gelegenheid van de Bevrijding werd in  mei 1945 een 250-tal penningen geslagen, waarvan de meeste zinken penningen door  de Canade-se militairen als herinnering werden meegenomen naar Canada.