Een driebeukige Kerk.
De driebeukige ruimte vertoont door het gebruik van de rode baksteen een warme aanblik.
De beuken zijn gescheiden door ronde van rode baksteen gemetselde kolommen.
Het basement van de kolommen is afgedekt met een geprofileerd stuk zandsteen en ook de zuil is
aan de bovenzijde afgesloten door een eenvoudig ringvormig zandsteen kapiteel.
De beide zijbeuken zijn, evenals het middenschip en het koor, overdekt met op ribben dragende
kruisgewelven. De ribben van de gewelven over de zijbeuken rusten op zandstenen draagstenen,
welke versierd zijn met gebeeldhouwde koppen.
Ook in het koor zijn deze met koppen versierde draagsteen aanwezig. De middenbeuk is hoger
opgetrokken dan de zijbeuken en heeft oorspronkelijk een houten tongewelf gehad, dat later
vervangen is door het huidige stenen gewelf.
De hele kerk is thans afgedekt met een sterke oud-Hollandse eikehouten kap,die van dakpannen is
voorzien. Het muurwerk in het middenschip boven de scheibogen, dat zijn de bogen tussen de
kolommen, is versierd met Gotische venstervormige nissen, verdeeld door traceringen. De zijbeuken
worden verlicht door later gedeeltelijk dichtgemetselde vensters.
In de ramen zijn eenvoudige bakstenen traceringen aangebracht.
In de muurvoet heeft men zogenaamde spaarnissen aangebracht. Daardoor had men minder stenen
nodig en was het bouwen goedkoper.
Het koor had aanvankelijk grotere ramen. Deze zijn later vervangen door de huidige. Het schijnt dat
tussen de aanwezige steenijzers, velden van gebrandschilderd glas in lood hebben gehangen. Ook hierin zou het Steenwijker wapen zijn afgebeeld. Helaas is hier niets
van bewaard gebleven.
Het interieur
Wie de kerk binnentreedt, laat meteen het oog vallen op het grote gemetselde middenschip. Het koor en de zijwanden zijn echter van een gepleisterde witkalklaag
voorzien.
Of hierin in het verleden ook nog wandschilderingen zij geweest, is niet bekend. Bij de verschillende restauratie werkzaamheden is hiervan niets aangetroffen. De vloer
in de kerk is thans afgewerkt met donkere plavuizen. Ongetwijfeld hebben er vroeger vele grafzerken gelegen, want ook in de Kleine Kerk werden de Steen-wijkers
begraven en hun graf werd met fraaie en minder fraaie grafzerken afgedekt. In 1655 werd een geheel nieuwe vloer aangebracht. Door het vele graven was de vloer zo
oneffen geworden dat het meubilair niet goed meer kon worden neergezet.
Na de Hervorming heeft men het koor afgesloten met een eiken koorhek. Dit hek was aan de onderzijde voorzien van panelen en aan de bovenzijde versierd met
gedraaide balusters. Hiertegen heeft men later een wand van stucwerk aangebracht, zodat het koor volledig werd afgesloten. De kerk was daardoor veel kleiner dan
thans het geval is.
Tegen het koorhek stond de preekstoel. In 1654 werd deze,ook nu nog aanwezige preekstoel gemaakt door Mr. Geert Jansen ten Polle. De kuip rust op een gedraaide
eiken kolom en is via een wenteltrap bereikbaar. De bovenzijde wordt afgedekt door een eenvoudig klankbord. Tijdens de restauratie werkzaamheden in de periode
1951-1959 werd de preekstoel verplaatst en aangebracht tegen de kolom op de scheiding van koor en middenschip.
Het huidige orgel dateert van 1880 en werd gebouwd door Petrus van Oechelen uit Haren. Reeds in 1656 werd gesproken over een nieuw orgel. Toen kreeg Antonie
Abbing Stuit de opdracht om het toen aanwezige orgel te vervangen door een nieuw orgel, dat tot 1880 in gebruik is gebleven. Zoals reeds is vermeld, lagen er in de
kerk diverse grafstenen.
In de loop der jaren zijn ze vrijwel allemaal verdwenen. Slechts een drietal is thans nog in het koor aanwezig. Enkele restanten werden bij de ingang van het koor op de
vloer ingepast. Begraven in de kerk, was een normale zaak. Hoe meer geld men had, hoe dichter men bij het koor of bij de preekstoel begraven kon worden. Een
ordonnantie op het begraven van 9 maart 1594 bepaalde: "Wie in de Vrouwenkercke wil begraven op te koor of aan de oostzijde van den preekstoel betale tot reparatie
en onderhoud 3 gulden voor een oude dode en 2 gulden voor een jonge dode (onder de 14 jaar)” Aan de westkant van de preekstoel was het goedkoper: 2 gulden voor
een oude en 1 gulden voor een jonge dode. In de Franse tijd zijn de wapens van de grafstenen verwijderd. De drie overgebleven stenen dragen de volgende opschriften:
"Ano 1588 de 19 August sterf de dierbare Frans Tiszo” Op de steen staat verder nog een wapenschild. Een andere steen geeft een stukje historie: "Jonker Willem van
Dorp, in sijn leven collonnel mitsgaers Baillu en de dyckgraef van Delftland, wert geschoten den 3 July 1592 int aanvoeren van een storm op deze stat Steenwyck.”
Willem van Dorp stierf bij een van de laatste aanvallen van het leger van Prins Maurits, waardoor de stad van de Spaanse bezetting werd bevrijd. De derde grafzerk
vermeldt: "De Erb end Frow Marg. ter Barchhorst. D Ern Hopm. Crin. D. Blau huisf. is in den Heren ontsliep. D. XX Octob, An 1597.” In 1812 werd het begraven in de kerken
verboden en moest er begraven worden op het kerkhof bij de Grote Kerk en later op het kerkhof aan de Meppelerweg. In de vorige eeuw werd nog een tochtportaal in
neo Gotische stijl aangebracht, dat met fraai beeldhouwwerk is versierd.
Een katholieke Kerk.
De kerk was in het verleden: de katholieke kerk. Het koor nam een belangrijke plaats in, want hier stond het hoofdaltaar. Hier kregen de geestelijken gelegenheid om
hun gods-dienstige plichten te vervullen. De burgerij zat in de kerk. Dikwijls waren aan de kerk verschillende geestelijken verbonden, die ieder soms ook nog een eigen
altaar hadden.
Het was in die tijd de gewoonte dat een aantal burgers een broederschap of gilde vormden, ter vermeerdering van Gods eer en die van de Heiligen. Ook de
ambachtslieden kenden dergelijke gilden (smedengilde. brouwersgilde). Aan de Vrouwenkerk was reeds in 1475 de O~L. Vrouwenbroederschap, ook wel O.L.
Vrouwememorie genoemd, verbonden.
Dit was een geestelijke broederschap met een eigen altaar en met een door de broederschap bekostigde priester. De broederschap zorgde voor de ziels-missen van de
overledenen en deed uitkeringen in voedsel en kleding en soms ook wel in geld. Elke vrijdag werd er voedsel uitgedeeld: een hoeveelheid rogge en een achtste boter.
Men hield eenmaal per jaar een vergadering, een gezellige maaltijd zou men kunnen zeggen. In 1490 werd een eigen priester aangesteld. Voor die tijd deden de door
het Stadsbestuur aangestelde geestelijken in opdracht van de broederschap het werk in de kerk. De inkomsten van de broederschap bestonden uit bijdragen van de
broeders, legaten en andere schenkingen. Soms in geld of goederen, ook wel in stukken land. Deze werden dikwijls verpacht en de opbrengst werd voor het gilde
gebruikt. In Steenwijk waren in totaal zes van dergelijke broederschappen. De eigen geestelijke kreeg bij zijn aanstelling een woning in de Doelenstraat met een hof, een
tuin buiten de Oosterpoort. De priester moest op verschillende dagen in de week de mis opdragen. Op vrijdag las hij de namen van de "broeder en susteren" die
gestorven waren en herdacht hij ze in gebed. Na de Hervorming konden deze zuiver Katholieke zaken als missen en de Mariaverering niet blijven bestaan. De
uitkeringen aan armen en zieken bleef echter. Toen ook de jaarlijkse eet- en drinkpartij werd afgeschaft, had het weinig zin meer om de gilden in stand te houden. De
gilden stierven uit.
Maar de bezittingen bleven.
Ieder jaar werd door het Stadsbestuur een Memoriemeester aangesteld die het beheer over de goederen moest voeren. In 1719 werden de bezittingen van de
broederschap samengevoegd met die van de Swindermanstichting. Ook deze stichting zorgde namelijk voor armen en zieken en ouden van dagen.
Na de Hervorming werden de bezittingen eigendom van het Stadsbestuur en een deel ging later naar de Protestantse gemeenschap. Een bijzonderheid is wel dat de
uitkeringen tot op heden zijn blijven bestaan. Jaarlijks wordt nog een bedrag van f76,80 aan een zestal stadgenoten uitgekeerd, terwijl op dit moment één proeve"
vakant is.
De hervorming.
In 1578 had ook in Steenwijk de hervorming haar intrede gedaan. Kwam men aanvankelijk bijeen in particuliere huizen, in 1580 mocht men de Gasthuiskerk gebruiken
voor de protestantse erediensten. In 1579 werden de inkomsten van de pastorie van de Kleine Kerk door het Stadsbestuur aan de Hervormden toegewezen. Dominee
Laan werd de eerste Steenwijker predikant. Toen de stad in 1582 echter in Spaanse handen viel, kwamen alle kerken weer in handen van de Katholieken en was er voor
het protestantse geloof geen plaats meer. In 1592 veranderde de situatie geheel. Steenwijk werd door de troepen van Prins Maurits heroverd en de Katholieken
verdwenen vrijwel geheel uit Steenwijk. Dominee Laan was inmiddels uit Steenwijk vertrokken en dominee Bogerman werd zijn opvolger. De Gasthuiskerk was door het
beleg volkomen vernield en ook de Grote Kerk had ernstige schade opgelopen. De Kleine Kerk was derhalve de enige ruimte waar de gereformeerden hun
godsdienstoefeningen konden houden. Alles wat aan de Katholieke eredienst herinnerde werd verwijderd en de Hervormden kregen tevens de beschikking over een
deel van de inkomsten van de Kapittelgoederen van de Grote Kerk.
Wel bleef de invloed van het Stadsbestuur groot. In 1810 werd het toezicht van het Stadsbestuur over gedragen aan de kerkeraad van de Hervormde Gemeente.
Restauratie
Net als alle gebouwen, heeft ook een kerk veel onderhoud nodig. Nu is dit in de meeste gevallen nogal kostbaar, vandaar dat dan ook de meest noodzakelijke
voorzieningen worden getroffen. Op den duur gaat daardoor het bouwwerk steeds meer achteruit. Ook de Kleine Kerk werd in de loop der jaren gerepareerd en
gerestaureerd.
Vooral tijdens de verschillende belegeringen die Steenwijk moest door staan, werd de kerk nogal eens beschadigd. Soms diende ze als kazerne, wanneer soldaten er
hun verblijfplaats van maakten en tijdens de overstromingsramp in 1825, waarbij vrijwel geheel Noordwest Overijssel onder water stond, werden zelfs 180 koeien en
ander vee in de kerk ondergebracht. In de loop der jaren was de toestand van de kerk dermate verslechterd, dat een grondige restauratie dringend nodig was.
Reeds voor 1940 had men het besluit genomen om tot restauratie over te gaan en er was zelfs al een fonds gevormd. Helaas zorgde de Tweede Wereld-oorlog voor een
langdurig uitstel en het duurde tot 1951 voor men kon beginnen. Voor een totaalbedrag van ruim 350.000 gulden werd gedurende acht jaar aan de kerk gewerkt. De
voorgevel werd van de pleisterlaag ontdaan. Deze was reeds veel eerder aangebracht om de slechte toestand van het gebouw te camoufleren. Grote delen van de
muur moesten opnieuw worden ingemetseld, terwijl ook de overige muren en steunberen flink werden bijgewerkt. In één van de steunberen werd een pot met
gegevens en foto's over Steenwijk ingemetseld. Ook de binnenzijde van de kerk werd totaal opgeknapt. Het stucwerk, dat het koor afsloot, werd verwijderd en de ruimte
die tot dan toe als opslagplaats was gebruikt, werd aan de kerk toegevoegd. Dit bracht met zich mee, dat ook de preekstoel verplaatst moest worden, want deze stond
tot 1951 midden tegen deze scheidingsmuur.
Het orgel kreeg een grondige opknapbeurt en werd van een elektrische windinstallatie voorzien. De vloeren werden opnieuw ingelegd, de muren bijgewerkt en een
geheel nieuw interieur werd aan-gebracht. Kortom het gehele gebouw kreeg een andere aanblik. Door de afbraak van een aantal woningen rondom de kerk, kreeg ze
ook een geheel ander aanzien.
Bij de officiële opening boden de kerkvoogden een nieuwe kanselbijbel aan en op donderdag 26 november 1959 werd de kerk in een plechtige bijeenkomst weer voor
de Gemeente opengesteld. De zondag daaropvolgend vond de eerste kerkdienst plaats. De kerk, nam toen een belangrijke plaats in het Hervormde leven van vele
Steenwijkers in.
Vrijwel alle rouw en trouwdiensten vonden hier plaats en elke zondagavond vond er nog een gewone avonddienst plaats. De Nederlandse Hervormde Kerk besloot
begin jaren negentig van de vorige eeuw het kerkgebouw af te stoten.
In 1993 verkochten zij de Kleine Kerk aan de vrijgemaakt-Gereformeerden, die er op 30 mei 1993 hun eerste dienst hielden.